De Havilland (Airco) D.H.4.

Moderators: Messalina, Tandorini

De Havilland (Airco) D.H.4.

Berichtdoor Tandorini » 01 jul 2010, 20:17

De Airco D.H.4 werd beschouwd als één van de beste bommenwerpers, die tijdens de Eerste Wereldoorlog dienst hebben gedaan. Dit toestel dat bestemd was om bij daglicht bombardementsvluchten uit te voeren werd aanvankelijk aangedreven door een opgevoerde versie van de Beardmore motor. Op zich geen bijzondere motor maar Frank Halford had een technisch wonder verricht door het vermogen op te voeren van 89 kW (120 pk) naar 119 kW (160 pk). Het 'airframe' van het vliegtuig was ook niet zeer geavanceerd, een tweedekker met dubbele stijlen aan beide kanten van de vleugels, gebouwd van hout en bespannen met stof. Het voorste gedeelte van de romp was verstevigd met triplex huidplaten. De met spandraden ondersteunde staartsectie was voorzien van een beweegbaar stabilo, zodat de piloot het vliegtuig tijdens de vlucht kon trimmen. Het landingsgestel bestond uit een vast onderstel met een staartslof. In de romp waren twee open cockpits aangebracht, die op vrij grote afstand van elkaar geplaatst waren, wat later als een groot nadeel werd gevoeld. Waarom was de DH.4 dan zo'n opmerkelijk vliegtuig?
Toen het ontwerp van de D.H.4 in de eindfase verkeerde, werd er een nieuwe motor geintroduceerd. De B.H.P., zoals de motor werd aangeduid, was ontworpen en gebouwd dankzij de gezamelijke inspanningen van Sir William Beardmore, Frank Halford en T.C. Pullinger. Een uitvoering met een vermogen van 172 kW (230 pk) werd ingebouwd in het prototype van de D.H.4 en de eerste proeven in augustus 1916 verliepen voorspoedig. Ongelukkigerwijze deden zich grote problemen voor bij het in productie nemen van de B.H.P., zodat naar een alternatief moest worden uitgekeken. Dat werd gevonden in een zojuist door Rolls Royce ontwikkelde motor van 186 kW (250 pk). Deze fantastische en betrouwbare krachtbron, die onder de naam 'Eagle' bekendheid zou krijgen, zou de D.H.4 een bijzondere plaats in de luchtvaartgeschiedenis geven. Uitgerust met de Eagle VIII waren de D.H.4's superieur aan de meeste jachtvliegtuigen uit die tijd.

Terwijl begin 1917 alleen nog het 55e Squadron van het Royal Flying Corps over de D.H.4 beschikte, waren in het voorjaar van 1918 niet minder dan negen squadrons ermee uitgerust. Het model deed ook dienst bij de Royal Naval Air Service (later op 1 april 1918 met de RFC omgevormd tot de RAF) dienst als patrouillevliegtuig voor de kustwacht en werd ingedeeld bij eenheden van de nationale verdediging. Dankzij z'n uitstekende prestaties was het vliegtuig bij belangrijke operaties gewoonlijk in de voorste linies te vinden. Wapenfeiten als het tot zinken brengen van onderzeeboten of de aanval op de haven van Zeebrugge hebben in niet geringe mate bijgedragen aan de roemrijke historie van dit toestel. Het was een D.H.4 gevlogen door Major E. Cadbury met als boordschutter Captain R. Leckie, die op 5 augustus 1918 het luchtschip L.70 neerhaalde, de trots van de Keizerlijke Marine Luchtschip Dienst. Deze Zeppelin stond onder commando van Fregattenkapitän Peter Strasser, onder wiens opperbevel alle luchtschip-operaties werden uitgevoerd en zijn dood markeerde het einde van dit onderdeel van de Keizerlijke Marine.
De D.H.4 was een zeer waardevol vliegtuig dat veruit superieur was aan de meeste andere toestellen van zijn klasse. Het had echter een fundamentele tekortkoming, die samenhing met het feit dat piloot en boordschutter ver uit elkaar waren geplaatst. Men had voor deze opstelling gekozen om de piloot naar voren en naar beneden zoveel mogelijk zicht te verschaffen voor het gericht afwerpen van de bommen. De waarnemer/boordschutter beschikte tegelijkertijd over een optimaal schootsveld voor z'n Lewis mitrailleurs. Het gevolg was echter dat beide bemanningsleden niet met elkaar konden communiceren, wat de D.H.4 zeer kwetsbaar maakte tijdens een luchtgevecht.
Bij de bouw van de D.H.4 was een aantal onderaannemers betrokken (F.W. Berwick and Engineering Company, Waring & Gillow Ltd en de Westland Aircraft Works) die gezamelijk met het moederbedrijf in totaal 1449 vliegtuigen hebben geproduceerd. De D.H.4 werd uitgerust met een grote verscheidenheid aan motoren, waaronder niet alleen de Rolls Royce III, IV (de Eagle), maar ook de R.A.F.3a van 149 kW (200 pk), de Siddeley Puma van 172 kW (230 pk) en een Fiat van 194 kW (260 pk). Ook werd geëxperimenteerd met de 224 kW (300 pk) Renault 12Fe, de 239 kW (320 pk) Armstrong Siddeley Jaguar I, de 253 kW (353 pk) Rolls Royce 'G', de 298 kW (400 pk) Sunbeam Matabele en een Ricardo-Halford motor met compressor. Door het steeds toenemende vermogen moesten de motoren van grotere propellerbladen worden voorzien, waardoor de ruimte tussen de grond en de propellertip kleiner werd. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat het landingsgestel langer werd gemaakt zodat verdere groei mogelijk was.

De standaardbewapening van de D.H.4 bestond uit een vaste naar voren vurende Vickers mitrailleur voorzien van een Constantinesco onderbrekingsmechanisme. De waarnemer/boordschutter beschikte over één of twee Lewis mitrailleurs gemonteerd op een Scarff ring. Onder de romp en de vleugels waren rekken aangebracht, waaraan bommen konden gehangen met een maximum gewicht van 209 kg. De vliegtuigen die door Westland Aircraft voor de Royal Naval Air Service werden gebouwd, waren uitgerust met twee Vickers mitrailleurs voor de piloot, terwijl de Lewis mitrailleurs in de achterste cockpit op een zuil waren bevestigd. Twee exemplaren ondergingen een modificatie om de installatie van een Coventry Ordnance Works (C.O.W.) machinegeweer mogelijk te maken. Dit omhoog vurende wapen was bedoeld om Zeppelins aan te vallen, maar tegen de tijd dat ze operationeel waren, had Duitsland z'n aanvallen met luchtschepen gestaakt.
Vermeldenswaardig is ook het feit dat de D.H.4 het enige Britse toestel was dat in grote aantallen in de VS (aanduiding DH-4) is gebouwd. Het was het enige in Amerika gebouwde vliegtuig van Brits ontwerp dat aan het Franse front is ingezet. Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog hadden de Dayton-Wright Airplane Company, de Fisher Body Corporation en de Standard Aircraft Corporation in totaal 3227 met Liberty motoren voorziene DH-4's gebouwd. Hiervan zijn 1885 exemplaren verscheept naar Frankrijk om door het Amerikaanse expeditieleger te worden gebruikt, hoewel slechts een derde operationeel is geweest.
De wapenstilstand betekende niet het einde van de carrière van de D.H.4. Talrijke exemplaren afkomstig uit oorlogsvoorraden, vonden hun weg naar de luchtmachten van België, Griekenland, Japan en Spanje, terwijl de Amerikaanse machines dienst bleven doen bij de United States Army Air Corps of terecht kwamen bij een groot aantal Latijnamerikaanse landen. Vele voormalige militaire vliegtuigen doken vlak na de oorlog in de Verenigde Staten op en maakten bij diverse gelegenheden naam met baanbrekende experimenten. Zo waren twee USAAC DH-4's betrokken bij het nemen van de eerste geslaagde proeven met het bijtanken in de lucht.
De D.H.4 onderscheidde zich in de eerste jaren na de oorlog ook op het civiele vlak. Het was de firma Holt Thomas' Aircraft Transport &Travel Ltd die het initiatief nam om met dit model een geregelde dienst te onderhouden tussen Londen en Parijs. Ook Handley Page Transport Ltd en het Belgische SNETA maakten gebruik van deze voormalige bommenwerper. In de Verenigde Staten deed een aantal tot postvliegtuig omgebouwde DH-4's tot 1927 dienst bij de US Post Office. Aan Canada werden 12 van deze vliegtuigen door Groot-Brittannië als 'Imperial Gift' cadeau gedaan om bosbranden op te sporen.

Ex-RAF toestellen voor de naoorlogse Belgische luchtmacht.
In maart 1919, een Belgische detachement van de N°1(Communication) squadron RAF, Kenley gestationeerd te Buc in Frankrijk, uitgerust met D.H.4. en D.H.4A's werd een gescheiden eenheid als N°2 (Communication) squadron ten dienste van Koning Albert I. Het squadron werd ontbonden op 14 oktober 1919. De Britse serials waren A7920, B7986, D8353, D8370, D8417, F5707, en F5721. Drieënvijftig D.H.4'sen D.H.4A's uit overschotten van de RAF werden tussen 1919 en 1921 aan België geleverd. Ze werden toegewezen aan de IIIde observatiegroep te Goetsenhoven met het 1ste (Mephisto), het 2de (Meeuw), het 3de (Hulstblad) en 6de (Bij) escadrilles en de Vde bombardementsgroep te Bierset met het 9de, 10de, 11de en 12de escadrilles.
In 1926 werden er nog eens 15 exemplaren onder licentie bij SABCA te Gosselies gebouwd. Het Belgische Militaire Vliegwezen zou dan in totaal 68 D.H.4's in dienst gehad hebben, waarvan de serienummers E-1 tot E-68 waren.
De laatste exemplaren werden in 1932 uit dienst genomen. Als bommenwerper kon dit toestel 209 kg bommen meevoeren. Zijn grootste kwaliteit was dat hij bijna zonder escorte kon vliegen doordat hij sneller en hoger kon vliegen dan de vijandelijke jagers.

Varianten.
AIRCO D.H.4A: Aanduiding van de naoorlogse civiele versie waarin achter de cockpit een afgesloten tweepersoons cabine was gebouwd.
DH-4A: Amerikaanse versie met een vernieuwd brandstofsysteem en een grotere brandstofcapaciteit.
DH-4B, -4C, -4L, -4M, -4Amb, -4Ard: Algemen aanduidingen voor een groot aantal naoorlogse varianten; de DH-4B omvatte bijvoorbeeld de DH-4B, DH-4B-1, DH-4BD enz. tot ongeveer 60 subvarianten, waaronder een aantal zxperimentele toestellen.
AIRCO D.H.4R: Aanduiding van een eenmalige race uitvoering, waarvan de onderste vleugels waren ingekort en die was uitgerust met Napier Lion Lijnmotor van 336 kW (450 pk); de max. snelheid van deze machine in horizontale vlucht bedroeg 241 km/u.

Specificaties.
Airco D.H.4.
Type:
Tweepersoons bommenwerper voor missies bij daglicht.
Motor: Een 280 kW (375 pk) Rolls Royce Eagle VIII lijnmotor.
Prestaties: Max. snelheid:230 km/u ; Stijgsnelheid: 1830m in 4min50sec ; plafond: 6705m ; Vliegduur: 3u45min.
Gewicht: Leeg:1083 kg ; Max. startgewicht:1575 kg.
Afmetingen: Spanwijdte:12,92 m ; Lengte:9,35 m ; Hoogte:3,35 m ; Vleugeloppervlak:40,32 m².
Bewapening: Een (RFC) of twee (RNAS) vaste naar voren vurende 7,7-mm Vickers mitrailleurs en een of twee 7,7-mm Lewis mitrailleurs in de achterste cockpit, plus een bommenlast van maximaal 209 kg aan rekken onder de romp of de vleugels.
De Amerikaanse versies (DH-4) bezaten twee 7,62-mm naar voren vurende Marlin mitrailleurs, maar hadden voor het overige dezelfde bewapening als de Britse modellen.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Keer terug naar Bommenwerpers.

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast

cron