Historiek van de Reserve.

Alles over het Belgische leger.

Moderators: Messalina, Tandorini

Historiek van de Reserve.

Berichtdoor Tandorini » 10 jun 2008, 19:12

Het ontstaan van de Belgische Strijdkrachten

Het leger van 1830 bestond als het ware uit drie duidelijk te omschrijven elementen :

1)een groep, afkomstig uit het vroegere leger van de Nederlanden,
2)een gedeelte van de Vrijkorpsen, die de Hollanders heeft verdreven uit Brussel en de grote steden,
3)elementen, die niet behoren tot beide bovengenoemde groepen.

Het jonge Belgische leger had bij de oprichting behoefte aan ongeveer tweeduizend officieren. Geen wonder dan ook dat dit kader de zwakste schakel vormde.In 1834 telde ons leger 2.638 officieren. Slechts 402 daarvan waren afkomstig uit het vroegere Leger der Nederlanden. De kwaliteit was niet evenredig met de kwantiteit.Naast het leger bestond een Burgerwacht, die evenals het leger werd opgericht in oktober 1830.

Deze Burgerwacht moest in principe worden samengesteld uit burgers tussen 21 en 50 jaar oud, die geen deel uitmaakten van het leger. De Burgerwacht had als eerste en voornaamste opdracht, het handhaven van de openbare orde. Principieel bestond de Burgerwacht in den beginne in alle gemeenten met meer dan drieduizend inwoners.

Op tal van vragen die onze medeburgers zorg baarden van hij de onafhankelijkheid van het land, was het leger ver van de belangrijkste. Was het omdat ze zich eerst vertrouwden op de waarborgen die ons gegeven werden door de grote mogendheden? Zou men hen in dit geval een zekere naïveteit kunnen verwijten? Of zelfs zeker naïveteit? Misschien. Het is alleszins niet dat ze wantrouwen hebben in hun leger. Ze zijn ook geen overtuigde pacifisten.

Maar, laten we zeggen dat ze steeds geneigd waren – en het trouwens steeds nog zijn – om te vinden dat een leger veel geld kost, te veel geld, veel te veel geld!De vrede was nog maar pas gesloten met Nederland, of ons land besloot het budget voor Defensie te verminderen. Het was in 1839. En men verminderde het verder in de daaropvolgende jaren. En dit niettegenstaande de inspanningen geleverd door onze Vorst bij zijn ministers om een degelijk leger op te bouwen.

Wilde men, door het oprichten van een korps van Hulpofficieren, de weinig benijdenswaardige toestand van het gehele leger verbeteren? Maar, bij gebrek aan voldoende kandidaten, werd dit alles behalve een succes. Op internationaal vlak, doken er echter reeds duistere wolken op aan de horizont. Men zag in dat het dringend was maatregelen te treffen die, zo hoopte men toch, het mogelijk maakten aan de dreigende gevaren hoofd te bieden. Het is dàn dat België besloot om, in navolging van wat in Frankrijk en Duitsland gebeurde, de Reserveofficier in het leven te roepen.

Het concept geleek nochtans helemaal niet op wat het later zou worden.

Ontstaan van het statuut van reserveofficier, en ontwikkeling tot in 1914

Bij Koninklijk Besluit van 22 december 1887 werd het kader van de reserveofficieren (RO) in het leven geroepen. Dank zij dit nieuw Koninklijk Besluit konden jongeren, die bepaalde studies hadden gedaan, na twee en een half jaar dienst, de graad verwerven van reserveonderluitenant. Samen met de op rust gestelde officieren, de hulpofficieren en de ontslagnemende officieren, moesten zij een reservekader vormen dat geroepen was om het land grote diensten te bewijzen bij de mobilisatie van het leger.

Dat Koninklijk Besluit was vooral het werk van Generaal PONTUS, toenmalig Minister van Oorlog.De grootste weerstand kwam nochtans vanuit het leger zelf: er waren reeds onenigheden tussen de officieren van de verschillende Wapens. En nu zou men er nog reserveofficieren aan voegen … !Een oplossing hiervoor, was toe te laten aan onderofficieren om RO te worden. De ministeriele richtlijn van 1 april 1888 voorzag dat “De onderofficier waarvan de kandidatuur aanvaard wordt en die in het examen van actief onderluitenant geslaagd is, kan reserveonderluitenant worden benoemd zonder nieuwe proeven te moeten afleggen”.

Bij Koninklijk Besluit van 17 juli 1888 werd wachtmeester ESCH als eerste opgenomen in het kader van de reserveofficieren. Hij had de graad van reserveonderluitenant.Nochtans, van zodra de kandidaat zijn ster behaalde, moest hij het leger verlaten, verzaken aan zijn rechten tot pensioen et zich verbinden om jaarlijks een – niet betaalde – wederoproeping uit te voeren.

In 1892, vijf jaar na de oprichting van het reservekader, telde ons leger slechts 21 RO’s. De mislukking van hun rekrutering bracht de Regering ertoe een nieuw Koninklijk Besluit uit te vaardigen. Dit gebeurde op 14 januari 1893. Een nieuwe categorie RO werd toegelaten: de actieve officieren, die op hun vraag ontslag wensten te nemen uit het leger, werden toegelaten om opgenomen te worden in het reservekader. Slechts zeven actieve officieren maakten gebruik van deze maatregel.Vanaf 1895 zouden jaarlijks ongeveer dertig reserveofficieren benoemd worden.

Nochtans, rond 1900, en dank zij de inspanningen geleverd door Leopold II, ging ons land dantoch over een degelijk leger beschikken.In 1901 schatte het Ministerie van Oorlog, dat het Belgisch leger behoefte had aan 1200 RO. Één jaar later kwamen nochtans slechts 170 RO (1 kolonel, 3 kapiteins-commandanten, 12 kapiteins, 15 luitenanten en 139 onderluitenanten) voor op de slagorde van dit zelfde leger. In datzelfde jaar telde het beroepsleger 3.478 officieren.

Zonder zich te verdiepen in de oorzaken van de diepe ontmoediging der RO uit die tijd en zonder de nadruk te leggen op de oorspronkelijke fout die gemaakt werd bij de organisatie van het reservekader, wordt toch op de allereerste plaats het gebrek aan eensgezindheid tussen reserve- en beroepsofficieren aan de kaak gesteld; ook het gebrek aan bevorderingen wordt voorop gesteld. Deze laatste vraag was nochtans voorzien in artikel VIII van het K.B. van 22 december 1887 maar werd nooit toegepast alhoewel er reserve onderluitenanten zijn die tien, twaalf en zelfs meer dan dertien jaren in de graad zijn gebleven.Het is opvallend hoe de burgerlijke en militaire dagbladen uit die tijd de eisen van de RO goedkeuren en de gegrondheid van hun beweringen staven.

Maar binnen het leger werd het bestaan van de RO betwist. Men kan zich afvragen waarom?

Hier volgt dan de kwintessens van de argumentatie van deze tegensprekers. Het K.B. van 22 december 1887, dat de RO in het leven roept en dit van 14 januari 1893 dat de officieren van het beroepsleger toestaat met hun graad naar het reservekader over te gaan, zijn allebeide in contradictie met de formele termen der wet van 16 juni 1836 die handelt over de bevorderingsmodus der officieren in het leger en in artikel 11 het volgende brengt: “geen graad kan worden toegekend wanneer deze niet door een betrekking wordt gedekt”. Bovendien zijn deze koninklijke besluiten in tegenspraak met de andere wet van 16 juni 1836 die handelt over de staat en de stelling der officieren waarbij zij vier officierscategorieën erkent: in activiteit, in niet-activiteit. met reformeringstrektement en in disponibiliteit. Volgens het artikel 67 van de Grondwet kan de Koning de wet niet wijzigen. De koninklijke besluiten die aldus een vijfde categorie officieren erkennen zijn dus onwettig en bijgevolg nietbestaande. Alleen de wetgever kon een einde stellen aan dit dispuut.

Bij Wet van 18 april 1905 verleende Koning Leopold II een soort statuut aan de RO, bekrachtigde eindelijk zijn wettelijk bestaan. Artikel 3 van dit statuut bepaalde : “De reserve is de stand van officier die, tot het kader van het leger behorend, slechts tijdelijk tot de werkelijke dienst opgeroepen wordt in zekere bijzondere omstandigheden, vastgesteld door de tegenwoordige wet”. Deze Wet had gunstige gevolgen. Men had de indruk dat het nu eindelijk ernst werd.

In 1908 werden, voor de eerste maal sinds hun bestaan, bepaalde RO’s, die in hun regimenten opgeroepen waren, voor de troep gesteld. Hun duurbaarste wens werd aldus vervuld. Het reservekader trad in een actieve fase aan en maakte werkelijk deel uit van het leger. Van die tijd af zullen de RO’s elk jaar effectief deelnemen aan het militaire leven, aan de kampen, de manœuvres en zullen ze aan schietcompetities deelnemen samen met hun collega’s actieven.

Het Koninklijk Besluit van 15 september 1913 regelde het eigenlijke statuut van de RO. Het bepaalde dat onderofficieren-vrijwilligers, militievrijwilligers en miliciens onder de wapens, de functie van pelotonsoverste konden uitoefenen. Dit Koninklijk Besluit hernam ook een reeks vroeger aan de reserveofficieren verleende voordelen. In februari 1914 telde het Belgisch leger 321 RO. Tientallen gewezen officieren van de Burgerwacht werden ook opgenomen in het reservekader.

De eerste vereniging van reserveofficieren.

In 1899 zag te Brussel de allereerste kring van RO het daglicht.

Hij droeg de naam van “Cercle des Officiers de Réserve de Belgique”. De vergaderingen werden gehouden in de “Taverne de Londres”, Schildknaapstraat te Brussel. Reserveonderluitenant CASSART zat, op 5 november 1899, de oprichtings algemene vergadering voor. Deze kring publiceerde ook een tijdschrift welke “Bulletin des Officiers de Réserve de Belgique” werd genoemd en een brochure “La Défense Nationale des Officiers de Réserve”.

Het is interessant de gelijkenis van sommige van hun bekommernissen met de onze vast te stellen, ondanks dat het reservekader van toen zeer verschillend was van wat het thans is, want het werd voornamelijk samengesteld uit oud-officieren van het actief kader en met onderofficieren die het examen van RO gelukt hadden: het maximaal ontwikkelen van de technische- en beroepsopleiding, actieve deelname aan de grote manoeuvers, een meer doorgedreven integratie in het leger.

In 1910 volgde de stichting van een tweede vereniging voor reserveofficieren, ook te Brussel. Het werd de “Amicale des Officiers de Réserve de Belgique”. Haar zetel was gevestigd in de “Taverne Alfred”, gelegen Zuidstraat nr 18. Vanaf 1913 gaf ze op haar beurt een tijdschrift uit onder de titel “L’Officier de Réserve”, titel hernomen voor het tijdschrift van NVRO zowat drie en twintig jaar later.

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, bleken de beide verenigingen bereid te zijn om samen te gaan, wat in feite logisch bleek daar in deze periode men slechts 321 RO telde in ons land. Tegelijkertijd, en niettegenstaande Leopold II bekomen had dat de militaire dienst een zelfde plicht werd voor elkeen, kwamen er stemmen op, ter gelegenheid van partiële verkiezingen, om de duur van de dienstplicht te verkorten.

De Eerste Wereldoorlog.

Bij het losbarsten van de eerste wereldoorlog, op 4 augustus 1914, vervoegden de RO hun respectievelijke eenheden.

Vanaf de eerste dag, namen ze eervol deel in de verdediging van het land, en werden vanaf 1915 samengevoegd met het Veldleger door de eerste Officieren die niet tot de kaders behoorden vóór de oorlog en die geen intentie hadden een verdere loopbaan in het leger te maken. Pelotonoversten of sectieoversten, ze vormden ongeveer de tweederden van de luitenanten en de onderluitenanten van het bevrijdingsoffensief.

Op 6 augustus 1914 sneuvelde de eerste RO. Dit gebeurde te Sart-Tilman. Het was reserveonderluitenant René DUFRANE van het 1ste Regiment Jagers te Voet.

De rechten van de RO werden tijdens de Eerste Wereldoorlog geregeld door uiteenlopende omzendbrieven, dagelijkse orders en wetsbesluiten. Op het einde van het conflict waren ongeveer tweederden van de pelotonsoversten van het Veldleger, RO’s. Onder hen ook zij die, geschaard rond Luitenant-kolonel SBH Robert LENTZ, later de stichters van NVRO zullen zijn.

De periode 1918 – 1934

Vanaf het op vredesvoet plaatsen van het leger in 1919 werd gewerkt aan een nieuw plan tot oprichting van de reservekaders. Op dit ogenblik beschikte ons land over 1.334 RO’s.

Maar de politiek nam opnieuw de bovenhand. In feite, ging België een periode van grote politieke instabiliteit in. Dit was, aan de ene kant, te wijten aan het algemeen stemrecht, en, aan de andere kant, aan de almachtigheid van de politieke partijen: van 1921 tot 1934 volgden zeven regeringen – met twee partijen, met drie partijen of homogeen – elkaar op en vernietigden ze soms elkaar.

Vanaf 1921 eiste de Belgische Werkliedenpartij (BWP) dat de dienstplicht tot zes maanden zou teruggebracht worden. Men werd het uiteindelijk eens over tien. De internationale situatie werd steeds maar ingewikkelder, wat de onenigheid tussen de partijen vergrootte. Duitsland had te kampen met een duizelingwekkende financiële en sociale crisis, en eiste een vermindering van haar oorlogsschuld. De Britten waren bereid, gezien hun eigen economische problemen, toe te geven. De Fransen, daar tegenover, weigerden elke toegeving en besloten om, in 1923, de Ruhrstreek te laten bezetten door hun troepen. Gebonden door het militair verdrag van 1920, moest België ook een deel van haar leger laten meedoen aan deze maatregel. Duitsland bood weerstand door stakingen, aanslagen, bloedige betogingen. België werd verplicht versterkingen te sturen naar de Ruhr en de duur van de militaire dienst op te trekken tot twaalf en zelfs tot veertien maanden.

Op 20 november 1920 ging de “portefeuille” van Landsverdediging over op Albert DEVÈZE, naar verluidt één van de meest markante figuren in het Belgisch militair beleid tussen beide wereldoorlogen. Als reserveofficier besteedde hij een bijzondere aandacht aan het reservekader. De kandidaat RO volgden nu cursussen in de wapenscholen, die tussen zes en acht maanden duurden. Hun praktische vorming werd voltooid in de regimenten. De geboekte uitslagen waren uitstekend. Zo beëindigden bijvoorbeeld in 1925, 1.196 kandidaten met goed gevolg hun examens. Gedurende deze periode waren de RO’s onderworpen aan wederoproepingen, waarvan de totale duur was gesteld op zes maanden.

Vanaf 1926 begon echter een sombere periode voor de RO’s. Hun wapenscholen werden, niettegenstaande fel protest van de wapendirecteurs, afgeschaft bij Koninklijk Besluit, verschenen in het Staatsblad van 7 november 1926. De militaire overheid besliste toen over te gaan tot een rekrutering per gewest. De kandidaat RO werd gevormd in de schooleenheden, opgericht in regionale regimenten. Het gevolg daarvan was dat men van regiment tot regiment, om niet te spreken van streek tot streek, RO’s had van verschillend niveau. De opleiding was niet eenvormig en de “spirit” ontbrak meestal.

In 1932 komt Albert DEVÈZE opnieuw bij Landsverdediging. Hij tracht het roer kordaat om te gooien. Hij neemt een aantal belangrijke beslissingen met betrekking tot de RO (23 augustus 1933). Hij sticht een stafsektie, die belast wordt met het centraliseren van alle problemen in verband met het reservekader. Tenslotte is hij ook de promotor van de “Nationale Unie van de Reserveofficieren”.

Uit deze periode dateert het ontstaan van plaatselijke en regimentskringen van reserveofficieren, zoals de Kring van Gent, gesticht op 18 augustus 1933, en de kringen van.

Hetzelfde jaar en in de loop van de 2 of 3 erop volgende jaren ontstonden volgende kringen : de Vriendenkring van de Reserveofficieren en –onderofficieren van de Carabiniers, en die van de Reserveofficieren van 14 A of van de RO’s van 2/4 A, de Kringen Reserveofficieren van Verviers, van Luik, van Antwerpen, van Charleroi en van Sint-Niklaas-Waas, de Nationale Unie van de Reserveofficieren van de Administratieve Dienst. Zo kwam men, in 1937, tot een totaal van 56 verenigingen.

De oprichting van NAVRO

De kringen verwierven vlug vaste voet over het ganse land. Teneinde meer aanzien en invloed te krijgen, richtten ze in 1935, rond Luitenant-kolonel SBH R. LENTZ, een overkoepelend orgaan op. Het is de “Nationale Unie van Reserveofficieren”, die later de “Nationale Vereniging van Reserveofficieren” (NAVRO, en vanaf 1975 wordt dit NVRO) wordt, en in het Frans “Union Nationale des Officiers de Réserve” (UNOR). In januari 1935 ondertekent de Minister van Landsverdediging de oprichtingsakte van NAVRO, hierdoor de stichting bekrachtigend van het orgaan dat de verschillende locale en regimentskringen zal op elkaar afstemmen. De statuten van NAVRO verschenen in het Belgisch Staatsblad op 2 februari 1935.

De doelstellingen van NAVRO waren (vertaald uit het Frans):

het onderhouden en ontwikkelen tussen de reserveofficieren van de broederlijke kameraadschap dat hen moet samenbrengen in de geest van de eed die ze afgelegd hebben,
- de morele en materiële belangen van de reserveofficier verdedigen, en dit zowel in het burger als in het militair leven,
- de uitbreiding van regimentaire verenigingen van reserveofficieren in de hand werken,
- de militaire overheid bijstaan in de verbetering van de militaire vorming van de reserveofficieren en het rationeel gebruik van hun vaardigheden.
In de loop van de jaren werden deze doelstellingen meerdere malen gewijzigd. In 1965 kwam men uiteindelijk tot de versie die, na enkele kleine aanpassingen ondergaan te hebben, deze is thans opgenomen in onze statuten (algemene vergadering van 21/03/1965):

- het onderhouden en het ontwikkelen van de kameraadschap onder de reserveofficieren in de geest van hun eed,
- het bevorderen van de morele en materiële belangen van de reserveofficieren en dit zowel in het militair als in het burgerleven,
- het stimuleren van de ontwikkeling van kringen en verenigingen van reserveofficieren en hen helpen en steunen in hun activiteiten,
- samen te werken met de militaire overheid met als doel de militaire opleiding van de reserveofficieren te vervolmaken,
-het nauwer aanhalen van de samenwerkingsverbanden tussen de reserveofficieren en het beroepskader,
- het bevorderen van de harmonieuze betrekkingen tussen het leger en de natie,
- de belangstelling wekken bij de jeugd voor de taak en de inzet van de reserveofficier,
- het mee werken als vereniging aan de ontwikkeling van de burgerzin, en aan de maatschappelijke integratie van de Krijgsmacht bij de Belgische bevolking.
Het loont ook de moeite te kijken hoe de Raad van Bestuur toen samengesteld was. Hij telde 33 bestuurders, als volgt onderverdeeld: 10 voor de infanterie, 6 voor de artillerie, 3 voor de cavalerie, 3 voor de genie, 3 voor de militaire luchtvaart, 2 voor het transportkorps, 2 voor de gezondheidsdienst, 1 voor de dienst veeartsenij, 1 voor de administratieve diensten, 1 voor de rijkswacht en 1 voor de algemene diensten (militaire com. van de reserve, industriële mobilisatie).

Eveneens tijdens de algemene vergadering van 1965, werd de term “groepering” ingevoerd. De bestuurders waren toen verkozen uit een lijst van geassocieerde leden voorgedragen door hun groepering.Iedere groepering had recht op minstens één bestuurder. En de raad telde toen 70 bestuurders! In 1972 werden de statuten nogmaals aangepast en het aantal bestuurders werd beperkt tot 40.

De eerste Voorzitter van NAVRO was LtKol (R) SBH R. LENTZ. Hij bleef deze functie bekleden tot aan de Tweede Wereldoorlog. De term “Vorzitter” veranderde ook nu en dan: van 1935 tot het einde van de jaren 1950 sprak men van Voorzitter, nadien en gedurende enkele jaren van Algemene Voorzitter, en dan einde jaren 1960-begin jaren 1970 opnieuw van Voorzitter. Van 1973 tot 1990, sprak men opnieuw van Algemene Voorzitter, en in 1990 werd de term Nationaal Voorzitter verkozen.

Vanaf de stichting, zal de NAVRO meerdere vergaderingen en plenaire zittingen houden en in werkcomités de studie aanvangen van het statuut van de RO, zijn vervolmaking en zijn attributies. Zo werden info-avonden ingericht alsmede vormingsconferenties (de meeste daarvan gingen door in hun lokaal op de Steenweg op Waterloo), een nationaal colloquium die gehouden werd in het atheneum Albert Catteau en een internationale academische zitting in de grote zaal van het Paleis voor Schone Kunsten. Dank zij een opmerkelijke inzet van zijn leiders en mede het persoonlijk prestige van Luitenant-kolonel SBH LENTZ, was het gehoor van NAVRO vanaf deze periode reeds aanzienlijk.

Maar NAVRO was ook actief op internationaal vlak. In juni 1935 nodigde ze te Brussel delegaties uit van RO’s uit Frankrijk en Nederland. Een academische zitting vond plaats in de Koninklijke Militaire School, en een défilé met 5.000 RO’s vond plaats voor Koning Leopold III, waarmee ze aantoonde waarom ze opgericht was. Dit was nog maar een begin. Inderdaad, NAVRO onderhield verder belangrijke relaties met de Union Nationale des Officiers de Réserve de France, bij wie een NAVRO-delegatie op bezoek ging te Parijs in 1937, alsook met de Algemene Vereniging van Nederlandse Reserveofficieren, die de delegatie ontving in Breda in 1938 in het prestigieus kader van de Koninklijke Militaire Academie, daar waar tweeëndertig jaar later CIOR-ICRO ook zou ontvangen worden onder een Belgisch voorzitterschap. Men vindt trouwens in deze reeds lang geleden relaties de basis waarop in 1947 men zou steunen voor de stichting van de Intergeallieerde Confederatie van Reserveofficieren (ICRO-CIOR) te Brussel. We zullen er later over spreken.

Leopold III ging op zijn beurt trachten aan ons leger meer waarde te geven. Tegelijkertijd, zou hij alles in het werk stellen bij de grote mogendheden om de neutraliteit van ons Land voorop te stellen. Daardoor hoopte hij dat onze onafhankelijkheid zou gevrijwaard zijn. Helaas, het grote onheil spaarde noch ons Land noch dat van onze noorderburen.

NAVRO publiceerde een tijdschrift, waarin interessante studies stonden rijkelijk geïllustreerd en gewijd aan de diverse conflicten van toen in het bijzonder aan de Spaanse oorlog.

De NAVRO-activiteiten waren zeer druk op nationaal plan, zij spreidden zich over het ganse land door de eigen initiatieven genomen door verenigingen en regimentsvriendenkringen, alsmede regionale kringen van Reserveofficieren.

De periode 1935 – 1939

Op 5 december bracht de militiewet de dienstplicht van de RO op 17 maanden. In deze periode ontwikkelde de NAVRO zeer drukke activiteiten op nationaal vlak. Dit had voor gevolg dat genoemde Unie vanaf 1937 veel aanzien verwierf. Dit kon echter niet verhinderen dat de militaire overheid zich minder en minder bezig hield met de praktische opleiding van de RO’s. En, hoe eigenaardig ook, bleef men zowel in de toespraken als in de officiële berichten, de nadruk leggen op het feit dat de RO’s een band betekenden nuttig voor de toenadering van leger en natie.

De toestand veranderde in 1938. Het leger werd inderhaast op versterkte vredesvoet geplaatst. De militaire overheid en zelfs Koning Leopold III maakten zich ongerust over de beroepswaarde van de RO’s. Op 10 mei 1940 volgde dan de Nazi-Duitse inval in ons land. Ons leger telde 600.000 manschappen. Het kader was samengesteld uit 4.929 actieve officieren en ongeveer 16.500 RO’s.

De Tweede Wereldoorlog.

Onze manschappen hielden achttien dagen stand, en dit niettegenstaande de vijand veel sterker was zowel qua materieel als qua manschappen. Deze korte termijn liet nochtans toe aan het brits contingent om terug in te schepen, en naar de andere oever van het Kanaal te varen, zoals CHURCHILL het zelf bekende. Deze korte veldtocht kostte het leven aan 200 reserveofficieren en aan 104 officieren van het actief kader.

Talrijk waren de leiders van NAVRO en haar verenigingen – zoals Generaal LENTZ en Generaal Bennett DE RIDDER – die een belangrijke rol speelden in de weerstand en in de Belgische Legermacht in Groot-Brittannië.

Reeds op 28 mei 1940 besloten een aantal Belgische militairen de strijd verder te zetten en sloten zich aan bij Britse of Franse eenheden in de omgeving van De Panne-Duinkerke. Sommigen onder hen hebben deelgenomen aan de verdediging van die enclave. Zij vertrokken daarna met de Britse eenheden. Vanuit Groot-Brittannië werden zij naar Frankrijk gezonden en vormden in het Land van Wales de kern van de Belgische Strijdkrachten in Groot-Brittannië, waarvan de vier eerste Infanterie-compagnies sedert oktober 1940 voor de verdediging van een kustsector instonden. Drie van die vier eenheden stonden onder het bevel van Reserveofficieren. Uit deze vier compagnies, samengesmolten tot het eerste Belgisch bataljon, dat nadien versterkt werd met ontsnapten uit Frankrijk en België, vrijwilligers en gemobiliseerden van overzee, zijn de Brigade Piron en de para- en de commando-eenheden ontstaan.

En vergeten we hier niet te vermelden:

- de RO’s die sommige smaldelen van de RAF vervoegd hadden,
- Kapt (R) Eddy BLONDEEL, die op 8 mei 1942 de Onafhankelijke Compagnie Parachutisten oprichtten, waarin we talrijke RO’s terugvinden,
- Kapt (R) Georges DANLOY die belast was met de vorming van en het commando verzekerde over de nieuwe Belgische Commando-eenheid (opgericht in 1942), die ook talrijke RO’s telde,
- het dertigtal RO’s, die ontsnapt waren uit België, en Groot-Brittannië bereikt hadden, en die zich voor clandestiene opdrachten in bezette gebieden engageerden,
- de RO’s, officieren bij de koopvaardij, die dienst deden bij de Landmacht, en RO’s van de Landmacht die overgeheveld werden naar de Royal Navy,
- alle RO’s die een zeer belangrijke rol speelden bij de Weerstand,
de RO’s die in de Zuid-Afrikaanse luchtmacht hebben gediend, of in het expeditiekorps in Abessinië (1941), in Nigeria (1942-1943), bij de brigade van het Midden Oosten (1943-1944), en in het Militair Veldhospitaal in het Verre Oosten (1943-1945)
- en ook de RO’s die hebben deelgenomen aan militaire verbindingsopdrachten van Normandië tot Denemarken, aan opdrachten met betrekking tot civiele aangelegenheden, die het herstel van onze instellingen en van ons economisch leven mogelijk gemaakt hebben.
Dank zij deze RO’s, waarvan de belangrijkheid van de door hen uitgevoerde functies èn de kwaliteit van hun dienststaten de morele en professionele waarde omschrijven, en dank zij al hun wapenbroeders werd de aanwezigheid van ons land in de vrijheidsstrijd verzekerd gedurende de ganse oorlog 1940-1945.

De aanwezigheid van ons Land werd verzekerd voor de ganse duur van het wereldconflict. De RO bevestigden hierbij de mening die sir Winston CHURCHILL zich maakte van de hen wanneer hij verkondigde dat “de reserve is tweemaal burger” (d.w.z. éénmaal in het burgerleven en éénmaal als militair). Een overtuiging waarop NAVRO niet zal nalaten te steunen in de loop van de jaren.

Na 1945

Vanaf 1945 namen de vroegere leiders van NAVRO terug contact op en meerdere werkvergaderingen werden gehouden, onder het voorzitterschap van Luitenant René DESTRÉE, die in 1938 Kolonel SBH LENTZ had opgevolgd.

Alzo werd de Algemene Vergadering van 1946 voorbereid die gehouden werd in de Taverne du Globe, Koningsplein, en die vereerd werd met de aanwezigheid van de Minister van Staat Albert DEVÈZE, door wiens initiatief NAVRO werd gesticht in 1935.

Het was zijn zoon, Kapt (R) Michel DEVÈZE, oud-penningmeester en stichter, die tot Voorzitter werd verkozen.

Evenals na de Eerste Wereldoorlog, beschikte ons leger over een nieuw reservekader. Maar, de oorlog was voorbij. Men ondernam niets en men bedankte veel mensen van goede wil. En plots kwam men in 1948 tot de vaststelling dat het reservekader grote leemten vertoonde. De eerste reserveluitenanten-miliciens werden gevormd. Maar opnieuw kwamen donkere wolken op ons en op onze buren af. De beslissingen van de drie Grootmachten leidden tot de verdeling van Europa in twee onderscheiden blokken. De Koude Oorlog was begonnen. Het was het begin van de Koude Oorlog.

Doch de toenmalige reorganisatie van onze strijdkrachten naar het Brits model alsmede de verwijdering van onze eenheden die in Duitsland hun garnizoen gingen nemen, brachten een groot aantal mutaties met zich mee, waardoor de regimentsvriendenkringen verzwakt werden, beroofd van een substantiële inbreng van jonge RO’s.

Gelijktijdig aan deze wedergeboorte van NAVRO, hernamen de kringen, vriendenkringen en verenigingen hun activiteiten. Eerst ontstonden talrijke locale kringen. En niettegenstaande hun goede wil, konden ze slechts weinig leden bijeenbrengen. Ze besloten dan ook tamelijk snel om zich samen te smelten tot regionale kringen. De vriendschap ontsproten in de kringen daterend reeds van vóór de oorlog werd nog gesterkt in de weerstand, zodat zeer begrijpelijk op regionaal vlak bij de verenigingen van NAVRO nieuwe activiteiten ontstonden en zich uitbreidden.

De interesse vanwege de RO voor de kringen werd gestimuleerd door het accent dat gelegd werd op de noodzaak van aanpassing aan de nieuwe organisatie van het leger en de daarbij horende nieuwe methodes. Parallel met hen, werd het zelfde vastgesteld voor de Wapen- en Dienstenverenigingen. Het feit dat de Secretaris-generaal van NAVRO in Groot-Brittannië en vervolgens in België bevelvoering had over de vormingsscholen en vervolmakingsscholen, bracht er hem toe zich speciaal te interesseren in dat domein, en deze internationale wording en de verdere ontwikkeling ervan aan te bevelen in de kringen. Conferenties, tactische oefeningen in zaal, vervolgens op het terrein grepen plaats in alle landsgedeelten met de zeer doeltreffende medewerking van de actieve kaders en de Scholen. De militaire autoriteiten interesseerden zich sterk aan al deze activiteiten en meermaals kregen onze RO’s op de dag- en nachtoefeningen het bezoek van de Minister van Landsverdediging en van de Hoge Militaire Leiders. De noodzaak van een gepaste fysische training werd sterk aangevoeld zodat militaire competities voor RO de kroon gingen spannen in de verwezenlijking van de programma’s van de kringen.

In de loop der jaren nam NAVRO zeer actief deel aan de voorbereiding en de discussies over de teksten met betrekking tot het statuut van de RO en haar delegaties werden meerdere malen aangehoord door de gemengde Militaire Commissie.

De herinneringen aan de contacten gelegd sedert 1937 met de Nationale Verenigingen van Frankrijk en Nederland enerzijds, de vriendschapsbanden gesproten gedurende de oorlog met de RO van de geallieerde legers anderzijds, bracht de leiders van NAVRO spontaan op het idee de stichting te plannen van een Intergeallieerd Comité van Reserveofficieren (ICRO of CIOR).

De organisatie die CIOR geworden is ontstond in feite uit de wil van de RO’s die gestreden hadden in de Krijgsmacht en in de Weerstand, om hun ervaring ten dienste te stellen van de algemene veiligheid en om de tradities die ze bezielden over te dragen op hun opvolgers.

En reeds in 1947 kwamen afgevaardigden van België, Frankrijk en Nederland in de lokalen van de Koninklijke Militaire School te Brussel bijeen, en richtten het Comité Interallié des Officiers de Réserve op (CIOR – opmerking: het woord Comité werd in 1952 vervangen door Confédération – of ICRO, International Comittee/Confederation of Reserve Officers).Op 20 november 1948 vond het eerste congres van CIOR plaats, opnieuw te Brussel. Buiten de drie vermelde landen, waren er waarnemers van Canada, Groot-Brittannië, Luxemburg en de Verenigde Staten.Cdt (R) Michel DEVÈZE werd tot Voorzitter verkozen en Kapt (R) Jean BLOCH tot Secretaris. Ze vervulden hun mandaat tot in 1952.

Eveneens in 1947 en eveneens te Brussel werd door geneesheren van België, Frankrijk en Nederland de Confédération Interalliée des Officiers Médicaux de Réserve (CIOMR) opgericht.Men moet hier zeker en vast de belangrijke rol aanhalen die België gespeeld heeft en nog steeds heeft in de schoot van CIOR en CIOMR.Het Voorzitterschap van CIOR werd waargenomen door Cdt (R) Michel DEVÈZE (1948-1952), LtKol (R) Jean BLOCH (1968-1970) en LtKol v/h Vlw (R) Eric THIRY (1998-2000).
Als Secretarissen van CIOR vinden we : Kapt (R) Jean BLOCH (1948-1952), Cdt (R) Georges-Henry DEBY (1968-1970) en LtKol (R) Jean Pierre VINCKE (1998-2000)
Als Voorzitter van CIOMR : GenMaj GLORIEUX (1952-1954), Med Cdt (R) G. DÉCHARNEUX (1966-1968), Pha LtKol (R) Jean DENIS, Med LtKol (R) Filip STRAGIER (2006-2008).
Daarenboven mocht België talrijke congressen van CIOR en CIOMR organiseren: in 1948 (Brussel), 1955 (Luik), 1958 (Brussel), 1954 (Antwerpen), 1983 (Brussel), 1994 (Leuven) en 2005 (Gent).

In 1950 brak de Korea-oorlog uit en op 18 maart 1951 sneuvelde Reserve-luitenant BEAUPREZ als eerste Belg op het Koreaanse front.

Op 1 april 1951 verscheen het nummer 1 van het “Inlichtingsbulletin voor Reserveofficieren”.

Op 24 april 1951 nodigde Luitenant-generaal PIRON, chef van de Generale Staf van de Landstrijdkrachten, de vertegenwoordigers van de Nationale Vereniging van Reserveofficieren uit op een verbindingsconferentie. Het was de start van een vruchtbare en hechte samenwerking tussen het actief en het reservekader. En in 1952 volgde de oprichting van de Generale Directie voor Vervolmaking van het Reservekader (GDCR).

De Koning verleende op 10 november 1955 een audiëntie aan een belangrijke delegatie van onze Nationale Vereniging. Tijdens deze audiëntie, en na de Medaille NAVRO te hebben aanvaard, onderlijnde onze Vorst dat, zo de legermachten de RO opleiden in het volbrengen van de taken van bevelvoering, hen de zin van de militaire eer en de passie tot dienen inprenten, de RO de militaire kaders verrijken met een menselijke en sociale inbreng, alsmede met zijn professionele vaardigheden. Een van de doelstellingen die de Nationale Vereniging van Reserveofficieren nastreeft, vervolgde de Vorst, is deze vruchtbare uitwisselingen immer te bevorderen.

In 1958, ter gelegenheid van het 11de CIOR-congres, had te Marche-les-Dames, de allereerste intergeallieerde militaire competitie voor reserveofficieren plaats. RO’s van België, Frankrijk, Luxemburg en Nederland namen eraan deel. Toen werd er nog individueel deelgenomen. Pas in 1961 werden de deelnemers in ploegen verdeeld.

En op 12 en 13 september 1959 vond te Vielsalm, de eerste Nationale Militaire Competitie voor Reserveofficieren plaats. Dertig ploegen namen eraan deel. Volgende proeven moesten afgelegd worden: schieten, granaatwerpen, nachtdropping, oversteken van een rivier, jeep, bewapening, transmissie (“overseining”), kaartlezen en oriëntatie, tactiek, techniek, cross-country en hindernissenbaan.

De gebeurtenissen van 1960 in onze toenmalige kolonie, Kongo, vergden opnieuw de inzet van tientallen RO’s.

In 1961 telde het reservekader 26.346 officieren, onder wie ongeveer 20.000 luitenanten en onderluitenanten.

Op 25 mei 1972 hield de Minister van Landsverdediging, Dhr Paul VAN DEN BOEYNANTS, een belangrijke redevoering in de Senaat. Daarin maakte hij een onderzoek bekend naar de mogelijkheden om de militaire verplichtingen van de reserve te verminderen. Het plan van de minister kwam neer op het terugbrengen van het aantal RO’s van 38.000 op 13.000. De NAVRO verzette zich op kordate wijze tegen dit plan, betwijfelde de besparingen die het met zich mee moest brengen en beschouwde het plan als de afbraak van het leger van de Natie.

Iedere RO kreeg algauw een brief van de Minister waarin hem gevraagd werd of hij, als RO, al of niet “in actieve dienst” wenste te blijven. Elke RO die niet affirmatief zou antwoorden of die zou vergeten te antwoorden zou als ontslagnemend beschouwd worden. Hij zou ere officier worden en zou, als beloning, zijn laatste graad mogen behouden.

In november 1972 werd ook de GDCR ontbonden. De Staven van de Machten namen voortaan de taak over van deze Directie. Voor NAVRO en voor de kringen was het verlies enorm.

Op 11 september 1973 kondigde Minister VAN DEN BOEYNANTS aan dat de dienstplicht voor de miliciens zou gebracht worden tot zes maanden. Volgens dit plan diende de kandidaat RO een dienstperiode te volbrengen van elf maanden, maar men zag snel in dat dit niet haalbaar was.

In het najaar van 1980, gezien de vermindering van de effectieven van het actief leger, werkte de Staf een nieuw plan uit. Gezien de actieve eenheden aan de NAVO toebedeeld werden, moest men de reserve reorganiseren indien men het nationaal grondgebied en de inwoners ervan wilde verdedigen. Zo ontstond het idee van de Militaire Verdediging van het Grondgebied (MVG). Iedere Provincie zou een regiment krijgen, bestaande uitsluitend uit reservisten van alle graden en behorend tot alle Wapens en Diensten. Dat regiment was hoofdzakelijk belast met de bescherming en de verdediging van verkeerswegen, militaire installaties alsook essentiële burgeropslagplaatsen.

Hiermede kreeg de Reserve een groter belang. Een eerste stap gezet werd reeds gezet toen beslist werd dat de RO’s belast zouden zijn met de verantwoordelijkheid en de leiding van de schietoefeningen (met scherp).

Op 4 februari 1981 had een nationaal symposium plaats, in het Koninklijk Legermuseum te Brussel. Het was geplaatst in het teken van 150 jaar België en van 45 jaar NVRO. Koning Boudewijn woonde deze vergadering bij.De toespraak van de Minister van Landsverdediging, Dhr Frank SWAELEN, was alles behalve geruststellend: stijgende werkloosheid, stijgend tekort op onze begroting.

Op militair vlak, zou aan bepaalde behoeften niet meer kunnen voldaan worden. Nochtans moesten onze Strijdkrachten paraat blijven om zo spoedig mogelijk tussen te komen. Hierdoor was het noodzakelijk dat de RO zijn vorming zou verder zetten alsook zijn vervolmaking, en moest hij de vaardigheden van een chef bekomen. Hij was inderdaad belast met de verantwoordelijkheid over de MVG en moest tevens de bevolking inlichten en geruststellen.

Maar reeds in 1981, en nogmaals in 1982, uitten de Voorzitters van NVRO hun bezorgdheid uit m.b.t. het tekort aan kandidaten RO. Sedert 1966 verminderde het aantal van deze kandidaten ieder jaar ...

Het jaar 1985 was zonder twijfel een belangrijke mijlpaal in het bestaan van de NVRO. Inderdaad, vijftig jaar geleden werd haar oprichtingsakte ondertekend door de Minister van Landsverdediging. En in 1985 verwierf ze het erkenningsbrevet, dat haar toelaat de titel van Koninklijke Vereniging te dragen. Ze werd dus de “Koninklijke Vereniging van de Reserveofficieren van België” (KNVRO). Om dit te vieren, vond een grote bijeenkomst plaats van alle RO van alle Machten. Ze waren vijfduizend in 1935, vijftienhonderd in 1958. Nu waren ze met duizend op de Grote Markt van, Brussel. Grootse plechtigheid voorgezeten door Koning Boudewijn. De Vorst schouwde de troepen vooraleer het woord te nemen.

En in 1995, werd opnieuw een grote ceremonie georganiseerd op de Grote Markt van Brussel ter gelegenheid van de 60ste verjaardag van KNVRO. Koning Albert II was aanwezig, en een 700 RO’s namen eraan deel (in de gietende regen).

Maar wat is er gebeurd voor de Reservisten tijdens de laatste 10, 15, 20 jaar? Het is steeds moeilijk “hedendaagse geschiedenis” te schrijven. Daarom beperken we ons, voor wat betreft de laatste 20 jaar, tot het opsommen van enkele belangrijke punten.

Het einde van de Koude Oorlog, de val van Berlijnse Muur, hadden zware gevolgen voor de rol en de structuur van de krijgsmachten. In vele landen werd besloten over te gaan tot een beroepsleger. België besloot de legerdienst op te schorten. En in België werd tevens beslist ons leger grondig te herstructureren. Men stelde het “strategisch plan 2000-2015” op. In de oude structuur van ons leger hing “De Reserve” af van JSO, t.t.z. de Divisie Operaties. In de nieuwe structuur hing ze af van DG HR (Human Resources). Men richtte een speciale divisie op genaamd “DNR” (Nationale Directie van de Reserve).

Het Koninklijk besluit van 23 november 1999 hield de aanpassing van het geldelijk statuut van de Reserve in, en de Wet van 16 mei 2001 legde het nieuwe administratief statuut van de Reserve vast. Eens de uitvoeringsbesluiten uitgevaardigd (en dat duurde een tijdje), stond de Reservist op zelfde voet als de actieve militair. Al snel bleek dat er toch nog enkele verschillen waren.

Tengevolge de opschorting van de legerdienst, komen er geen nieuwe RO’s meer bij. Dit had tot gevolg dat de gemiddelde leeftijd van de RO’s van jaar tot jaar toenam. Men had een werving van ca. 300 nieuwe reservisten per jaar gepland, maar de start scheen trager te verlopen dan verwacht. Aan de andere kant werd van jaar tot jaar de plaatsen beschikbaar voor Reservisten verminderd en werd het aantal Reservisten ook ingekrompen. De laatste cijfers spreken van 6.000 Reservisten, waarvan 3.000 getrainde (1500 officieren, 1000 onderofficieren en 500 korporaal/soldaten), en 3.000 niet getrainde. Men is niet zeker dat men deze cijfers zal kunnen halen.

We zouden hier graag vermelden dat op 20 april 1999, het Militair Comité van de NAVO een nieuw document goedkeurde dat betrekking had tot de politiek van de NAVO op gebied van de Reserve (de “MC.441”). We vinden er enkele interessante zinnen:

2. At a time of continuing profound change to the security environment of the North Atlantic Alliance, the spectrum of missions which NATO faces is more wide-ranging and challenging than ever. Within this spectrum, the use of Reserves by some Alliance members is considered as a serious option for many missions. Other Alliance members are already making extensive use of reserve personnel and units to support NATO missions. Therefore, the overall readiness of the Alliance is derived not only from the readiness of the active forces, but also from the availability and readiness of their Reserves. The availability of Reserves, whether for NATO missions or for their periodic training, depends heavily upon national policy, legislation and societal factors such as the encouragement and assistance of the family, the community and the employer whose support and assistance are vital.

9. As both military personnel and responsible members of their community, Reservists are one of NATO’s valuable resources. In addition to their military experience, Reservists can add value by virtue of their civilian expertise and the close relationships that they help NATO nations to establish between the military and the civilian communities. Many Reservists have useful specialised skills such as, but not limited to, medicine, engineering, logistics, law, expertise in foreign languages, public relations and information management systems. At the same time, military service returns substantial benefits to the Reservist and the employer. The latter benefits from the considerable leadership, educational and training programmes provides to the Reservist while on duty, all of which are directly transferable to their civilian environment.

23. The Reservists’ important mix of military and civilian skills is not only of substantial benefit to the Alliance in supporting NATO missions and in particular Humanitarian and Peace Support Operations but also to the Reservist and his employer.

24. NATO Reserves have been, and will continue to be, an important element of the Alliance. They provide NATO with a significant military capability and a useful interface to civilian society. With the increased role of these citizen-soldiers, NATO Reserve forces policy can enhance NATO mission accomplishment. This policy encourages improvements in Reserve training, provides opportunities to participate in peacetime operations and promotes employer support programmes while fully recognising national responsibilities in these areas.

We noteren dat ons leger vaker Reservisten zal “gebruiken” in functie van hun burgervaardigheden. We zijn er vast van overtuigd dat dit een goed idee is.

Nochtans zullen er nog een aantal praktische problemen moeten geregeld worden.Het wordt voor de Reservist steeds moeilijker om door zijn “baas” te doen aanvaarden dat hij een wederoproeping moet uitvoeren, daar deze baas ervan overtuigd is dat, gezien de legerdienst “afgeschaft” werd, er ook geen Reservisten meer zijn. Daarenboven is het niet evident voor een Eenheid een Reservist op te roepen in functie van zijn capaciteiten, als deze Eenheid hem slechts 7 dagen per jaar mag oproepen. En deze Reservist moet dan wel nog op de slagorde staan. Maar wat ingeval men een Reservist zou nodig hebben om een plots en onvoorzien probleem op te lossen?Er zijn ook veel Eenheden die niet juist inschatten welke nuttige hulp een Reservist hen kan brengen. Vergeten we niet dat de meeste Eenheidscommandanten, en hun personeel nooit te maken gehad hebben met miliciens, en dus met KRO’s en KROO’s, en ze dus niet kennen!

Hoe dan ook, we moeten er blijven in geloven. We hebben in de historiek hierboven gezien dat het leger iets levends is. Men neemt soms beslissingen, die nadien onaangepast of onvolledig blijken te zijn. Men zal ze veranderen. Dat hangt natuurlijk ook af van de “chefs”. We zijn ervan overtuigd dat onze militaire chefs (en de échelons eronder) bereid zijn sommige regels aan te passen (en ze hebben het trouwens reeds gedaan en doen het nog vandaag).

Door de jaren heen heeft de Reserve haar waarde, toewijding en inzetbereidheid bewezen. Ze blijft het onvervangbaar hechte bindteken tussen het Leger en de Natie, waarvan ze de emanatie is en moet blijven.De Reservist heeft nog een belangrijke rol te spelen in ons Leger, en zij weet het. Maar deze rol is niet meer dezelfde als bij het in leven roepen van de RO, of bij de stichting van NAVRO! We moeten ons aanpassen. We moeten beschikbaar blijven! Jongens: volhouden is de boodschap!
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Keer terug naar Het Belgische leger.

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast

cron