De slag aan de IJzer.

Alles over Wereldoorlog 1 in België.

Moderators: Messalina, Tandorini

De slag aan de IJzer.

Berichtdoor Sabina » 08 jun 2008, 19:51

Inleiding.

Het machtige Duits offensief met Parijs als eindbestemming wou zich op 4 augustus dwars door Zuid-België een weg banen. De 13 dagen oponthoud vóór de Maasforten gaven Frankrijk de kans om zijn leger paraat te houden. De Duitse opmars werd aan de rivier de Marne (6-13 september) tot staan gebracht. Vervolgens probeerden de Franse en Engelse legers de Duitsers te omsingelen, maar vanaf eind september beantwoordden de Duitsers dit met een poging om de tegenstrevers op hun linkerzijde te overvleugelen. Dit veroorzaakte nieuwe gevechten in België en uiteindelijk kwam de oorlog toch nog in West-Vlaanderen. In een poging om langsheen en achter zijn belangrijkste vijanden te komen, zou het Duitse leger ook de Belgische troepen uit Antwerpen weg-drukken...

Het Belgisch leger trok zich tenslotte vanaf 18 augustus binnen de fortengordel van Antwerpen terug en immobiliseerde een belangrijke Duitse troepenmacht die in de strijd tegen de Fransen eigenlijk niet gemist kon worden. Deze terugtrekking van de Belgen naar Antwerpen viel bij de Fransen niet in de smaak want ze vonden dat zij België toch maar ‘te hulp gesneld’ waren. Ze voelden zich nu tekort gedaan omdat ze oordeelden dat de Belgen zich al te gemakkelijk aan hun taak onttrokken!

Begin oktober kwam Winston Churchill als ‘first lord of the admiralty’ naar Antwerpen om de aanwezige ministers ervan te overtuigen dat de havenstad en de Scheldelinie tot het bittere eind verdedigd moesten worden. Hij bood de steun van enkele duizenden Britse marinesoldaten aan. De sfeer was zeer gespannen omdat sommige ministers dit voorstel ronduit afwezen daar het kon meebrengen dat het hele leger en al het legermaterieel in Duitse handen zouden vallen. Churchill, die vrij goed het Frans beheerste, versprak zich toch nog zo potsierlijk dat de sfeer op een merkwaardige wijze ontdooide. Winston wilde zeggen dat er in Antwerpen geen tekort aan levensmiddelen was, integendeel, volgens hem was er zelfs overvloed. Maar hij dacht Engels en sprak Frans. “Tout le monde”, besloot hij, “vit encore dans la luxure (ontucht)”. Het Engelse woord ‘luxury’ voor ‘weelde, luxe’ had hem parten gespeeld...maar de kilte rond het overleg verdween!

De gebeurtenissen dwongen echter tot een andere beslissing. Op 5 oktober stuurden de Duitsers de Spaanse gezant vanuit Brussel naar Antwerpen met de mededeling dat de stad gebombardeerd zou worden. Hiermee handelden de Duitsers conform de Verdragen van Den Haag. De ontreddering in de stad en in het leger was groot. Op de 6de werd vanaf 20 uur het leger naar de linkeroever ‘verhuisd’. Antwerpen werd vanaf de 8ste om middernacht onafgebroken tot de 9de om 10 uur beschoten. Het bombardement verwoestte in 36 uur ongeveer 15.000 woningen.

Door verwarde bevelen en gebrekkige communicatielijnen van én naar het hoofdkwartier begonnen complete eenheden op eigen houtje in westelijke richting uit te wijken. Daardoor ontstond onrust onder de troepen die in Antwerpen als achterhoede gebleven waren. Stadscommandant generaal Deguise gaf op 8 oktober aan het stadsgarnizoen, aan de Tweede Divisie en aan de Engelse brigade toelating om eveneens uit de stad weg te trekken. Daarna kon geen enkel tegenbevel deze onverwachte gang van zaken nog ongedaan maken!

Generaal Pau (verbindingsman van de Franse opperbevelhebber Joffre) zag in dat gedane zaken geen keer konden nemen en stelde de Belgen voor om zich naar de Franse grens, tussen Leie en Noordzee, te begeven. Pau, die op 8 oktober omstreeks 15 uur op het Belgisch legerhoofdkwartier in Zelzate overleg voerde, had aldus voor het eerst een terugtocht naar de Westhoek geformuleerd... Meerdere regimenten van de vestingtroepen werden over de Nederlandse grens gejaagd en er geïnterneerd, maar het hoofdmacht van het leger zou tussen 9 en 12 oktober aan de Duitse omsingeling ontsnappen.

Op de 9de bevond het gros van het leger zich al achter het kanaal Gent-Terneuzen waar soldaten werden opgesteld om de terugtocht van de achterhoede (Tweede Divisie en Engelse troepen) te dekken, die in de avond van de 8ste uit Antwerpen vertrok.

Voor de zwaar aangeslagen Belgische troepen was het belangrijk een veilige plaats te vinden waar een grondige reorganisatie doorgevoerd kon worden. De zone, tussen de IJzer en de Franse grens, leek de enige die aan de voorwaarden (gelegen in het verlengde van de frontlijn van Fransen en Britten en mét de zekerheid niet van hen geïsoleerd te worden) beantwoordde. Dit onafgebroken front was echter verre van sterk. In Vlaanderen stonden enkel het Belgisch leger, een Engelse infanterie- en cavaleriedivisie, evenals twee Franse territoriale divisies klaar. En het zou meerdere dagen duren vooraleer Engelse en Franse versterkingen ter plaatse konden komen...

De Franse legerleiding (Joffre) wenste echter met nadruk dat het Belgisch leger niet naar Brugge-Oostende, maar wél naar de streek van Deinze-Tielt terugtrok. Dat hield echter in dat de Belgen zonder verpozen in een reeks nieuwe gevechten tussen Duinkerke en Rijsel betrokken zouden worden. De Franse generaal Pau had wél begrip voor hun toestand en stelde voor om de uitgeputte Belgische troepen naar de streek ten westen van de lijn Sint-Omaars en Calais over te brengen. Boulogne zou hun bevoorradingsbasis worden, gezien Duinkerke al instond voor de Engelse behoeften. Er moest wel vlug gehandeld worden daar Duitse verkenners al tot Hazebroeck doorgedrongen waren!

Het zinde koning Albert I niet dat zijn leger op zo’n afstand van de landsgrens teruggetrokken zou worden. Hij wou er alleen mee instemmen op voorwaarde dat zijn leger een Belgische sector toegewezen zou krijgen, eenmaal de gevechtskracht herwonnen.

Chronologie.

Op 10 oktober werd - weer op advies van Pau - beslist om de Tweede Divisie alvast per spoor vanuit Zelzate naar Calais te laten vertrekken. De volgende dag, omstreeks 17 uur, werd dit bevel ingetrokken en de Tweede Divisie - die nog in Veurne was - werd in het land gehouden.

Dit gebeurde omdat tijdens de nacht Joffre had laten weten dat het Belgisch leger in Boulogne totaal werkeloos zou toekijken, terwijl er in de regio Ieper-Poperinge dringend troepen nodig waren. Joffre liet verdere afspraken aan generaal Ferdinand Foch over en die ging uiteindelijk akkoord met een tijdelijk hergroeperen van de Belgen in het gebied Nieuwpoort-Veurne-Diksmuide. Wél hoopte de Franse legerleiding dat zij na 48 uur rust d.w.z. op de 13de en ten laatste op de 14de weer inzetbaar zouden zijn. Belgisch opperbevelhebber koning Albert wees op de lamentabele toestand van zijn troepen, maar hij slaagde er niet in om de Fransen duidelijk te maken dat deze alléén op papier nog gevechtswaarde hadden.

Onder druk gezet gaf Albert I toe om op 14 oktober toch maar vijf infanteriedivisies achter de lijn Eernegem-Kortemark te groeperen en zo de Britten en Fransen te steunen die in de richting Roeselare wilden aanvallen. Dit ging echter - tot vreugde van de koning - niet door omdat de Britse generaal Rawlinson onverwachts zijn troepen van het Roeselaarse naar Ieper bracht. Hij had melding gekregen van de komst van vier Duitse kolonnes van elk ongeveer 10.000 man in de streek van Brugge-Tielt en wilde geen riskante vooruitgeschoven positie innemen. Het Franse opperbevel was laaiend over de al dan niet vermeende eigenzinnigheid van de Belgische en Engelse bondgenoten. Foch probeerde opnieuw om de Belgen naar Ieper te krijgen, maar Albert I koos voor Nieuwpoort.

Op de 14de oktober werd besloten om ‘s anderendaags de Eerste, Tweede en Vierde Divisie achter de IJzer op te stellen. Delen van de Derde Divisie zouden in Lampernisse gestationeerd worden. De Vijfde zou ten noorden van het bos van Houthulst stelling nemen en de Zesde ten zuiden van dit bos. Het hoofdkwartier werd in Veurne gevestigd. Maar op de 16de trokken beide laatste divisies zich achter het kanaal van Ieper naar de IJzer (Ieperlee) terug.

Deze nieuwe gang van zaken kwam overeen met de zienswijze van koning Albert. Hij was - volgens zijn dagboek - de mening toegedaan dat ‘Belgische soldaten goede verdedigers, maar slechte aanvallers waren’. En dit zou door de feiten grotendeels bewaarheid worden!

Alleen de IJzer vormt in de uiterst vlakke Westhoek een natuurlijke verdedigingslinie en heeft een linkeroever die bijna twee meter hoger ligt dan de rechteroever. Daar zouden verdedigers een relatieve veiligheid vinden. De rivier maakt echter een grote lus in Tervate en in die bocht zouden de verdedigers van opzij onder vuur genomen kunnen worden. Jammer genoeg liep in 1914 in de bocht van Tervate de scheiding tussen de Eerste en Vierde Divisie. De gebrekkige coördinatie tussen beide bracht mee dat deze plaats de zwakke schakel in de verdediging werd.
Ten westen van de IJzer (20 m breed) ligt nog een combinatie van waterlopen o.a. Reigersvliet en Beverdijkvaart (Noordvaart), maar wel zonder verhoogde bermen. De Beverdijkvaart, verlengd door de Noordvaart, loopt opvallend evenwijdig met de IJzer en is op veel plaatsen zowat 10m breed.

Nog meer naar achteren liep in die tijd een spoorlijn van Diksmuide naar Nieuwpoort. Door het doortastend oprukken van de Duitsers is die spoorwegberm (1 à 2 m hoog) uiteindelijk de voornaamste verdedigingslinie voor de Belgen geworden.

Tien kilometer verder naar het westen ligt het kanaal van Lo, dat een waardevolle tweede waterlinie vormde. Het grootste gedeelte van Veurne-Ambacht of de streek achter de IJzer ligt lager (2 à 3 m) dan het zeewater bij vloed . De streek wordt via de sluizen van Nieuwpoort bij eb ontwaterd; wanneer daarentegen bij vloed de sluizen geopend zouden worden, dan is het mogelijk de streek onder water te zetten.

Na meer dan twee maanden strijd slaagde de Belgische legerleiding erin om tegen 15-16 oktober een goeie 70 à 75.000 man achter de IJzer te hergroeperen. (Sommige boeken geven aantallen tussen 65.000 en 83.000 man). Het leger beschikte in totaal over nog slechts 48 à 53.000 geweren. Ongeveer 6.000 Franse soldaten (fuseliers marins) kwamen ter versterking. Aan Duitse zijde stonden bij benadering misschien wel 100.000 infanteristen (enkele bronnen overdrijven en beweren zelfs 150.000), gesteund door 350 à 400 kanonnen waaronder heel zware kalibers.

De Belgische én Franse troepen aan de IJzer kenden van bij het prille begin (14 oktober) van de gevechten de volgende opstelling (die daarna nog wijzigingen onderging):

Een voorlinie strekte zich uit over Westende, Nieuwendamme, Sint-Pieterskapelle, Leke en Vladslo.

Voorposten lagen er in Lombardsijde, Mannekensvere, Schore, Keiem en Beerst.

Drie bruggenhoofden werden in Nieuwpoort, Schoorbakke en Diksmuide ingericht.

Het Belgische front tussen Nieuwpoort en Boezinge (39km) werd in 6 sectoren ingedeeld met divisies, onder het bevel van o.a. de generaals Dossin, Baix, Michel en een Franse admiraal, de Bretoen Ronarc’h.

a) De Tweede Divisie o.l.v. Dossin bezette het front vanaf het strand tot op enige afstand van de Uniebrug bij Sint-Joris (6km). Er waren voorposten in Lombardsijde en in Mannekensvere.
Met het bruggenhoofd Nieuwpoort voor de controle van de bruggen en de sluizen. (vanaf het strand tot kilometerpaal K4.)

b) De Eerste Divisie o.l.v. Baix stelde zich op vanaf Sint-Joris tot het midden van de ‘lus’ of ‘bocht’ van Tervate. Met het bruggenhoofd van Schoorbakke en een voorpost in Schore. (van kilometerpaal K4 tot K10.)

c) De Vierde Divisie o.l.v. Michel vatte post stroomopwaarts van Tervate tot de hoeve Torenhof (De Torre) ter hoogte van Oud-Stuyvekens. Zij had voorposten in Keiem en Beerst. (van kilometerpaal K10 tot K14.)

d) De Brigade Franse ‘fuseliers marins’ van Ronarc’h verdedigde het bruggenhoofd Diksmuide, dat de spoorlijnen van Diksmuide naar Nieuwpoort en Veurne beschermde.

Delen van de Derde Divisie o.l.v. Andringa (11 en 12de Linie, alsook 2 groepen artillerie) waren eveneens in deze sector gevestigd.

(Bevelhebber Leman was op 15 aug. in Luik gevangen genomen en door generaal-majoor Andringa vervangen.)

Twee brigades van de Derde Divisie hielden zich in Lampernisse als reserve klaar. (van kilometerpaal K14 tot K20, alsook de stad Diksmuide)

e) De Vijfde Divisie o.l.v. Guiette waakte vanaf Sint-Jacobskapelle tot de plaats Drie Grachten aan het kanaal van Ieper naar de IJzer, nabij Noordschote. Zij stond korte tijd voor het bruggenhoofd Luigem in. (van kilometerpaal K20 via Fort De Knocke tot Noordschote.)

f) De Zesde Divisie o.l.v. Lantonnois werd ingezet tussen Merkem en Boezinge en sloot daar tegen het Franse front aan. (van omgeving Noordschote tot Boezinge)

g) De Eerste Cavaleriedivisie hield zich op ten zuiden van het bos van Houthulst om de rechterflank van het leger te dekken.

h) De Tweede Cavaleriedivisie werd in de omgeving van Nieuwpoort in reserve gehouden.

Bij het begin van de oorlog bestond de uitrusting van de Eerste, Tweede en Vijfde Divisie uit 14.000 geweren, 500 sabels, 48 kanonnen en 18 machinegeweren. De Zesde Divisie, die nabij de hoofdstad werd gelegerd, telde echter 60 kanonnen. De Derde Divisie, die rondom Luik werd samen-getrokken, bestond uit 18.500 geweren, 500 sabels, 60 kanonnen en 24 machinegeweren. De Vierde Divisie, rondom Namen, had een gelijkaardige bewapening.

De intentie van de Duitsers was de Kanaalhavens in te nemen. Zo zouden ze de verbinding tussen Frankrijk en Engeland kunnen verbreken. Daarna wilden ze de Engelse en Franse troepen in Noord-Frankrijk vernietigen, waarna Parijs voor het grijpen zou liggen. Eerst moesten ze de Belgen uitschakelen die, afgemat en berooid door twee en een halve maand vechten, hen de doortocht naar Duinkerke en Calais bemoeilijkten.

De Duitsers hadden als mogelijkheden :

ofwel de rivierstadjes Nieuwpoort of Diksmuide innemen. Vervolgens de Belgische en Franse troepen aan de IJzer in de rug aanvallen
ofwel de rivier bij één van de drie overige IJzerbruggen (Brug van de Eendracht of Uniebrug, Schoorbakkebrug en Tervatebrug) oversteken en er een doorbraak forceren.

Vanaf de middag van de 15de kreeg de Belgische legerleiding meldingen van een mogelijke Duitse aanval op het front Nieuwpoort-Diksmuide. De koning wist heel goed dat de gevechtsdiscipline van zijn soldaten niet te vergelijken was met de geroutineerde Fransen die al drie jaar in dienst waren en met de Engelse veteranen die zes jaar ervaring hadden.

Koning Albert liet een krachtig communiqué opstellen waarin de soldaten op een ‘draconische’ manier opgeroepen werden om onder alle omstandigheden stand te houden:

‘(...) In de stellingen waarin ik u plaatsen zal, moeten uwe blikken steeds vooruit gericht zijn; gij moet als verrader van het vaderland aanzien alwie het woord van terugtocht zal uitspreken, zonder dat een uitdrukkelijk bevel daartoe bestaat (...)’
Officieren werden met onmiddellijke degradatie bedreigd als ze in hun plicht tekort zouden schieten.

Op de 16de werden inderdaad aanvallen en zware beschietingen in Diksmuide gesignaleerd. Franse mariniers, geholpen door zes Belgische batterijen, konden het tij keren. Die middag was Foch voor de eerste keer op het hoofdkwartier in Veurne waar Albert hem ontving, maar tussen beide mannen ‘klikte’ het niet bepaald. Desondanks schreef Foch diezelfde avond nog aan Joffre en was daarin opvallend positief voor de Belgische bondgenoot:

‘(...) Je rentre de Furnes. L’armée belge est installée sur la ligne de l’Yser. Elle a reçu l’ordre d’y résister... Le Roi et le président du Conseil paraissent décidés à pratiquer cette tactique... Dans ces conditions, je crois qu’ils seront suivis, que l’armée belge qui n’est ni fatiguée, ni détruite, tiendra ses positions, d’autant plus qu’on n’a pas l’air de l’y vouloir attaquer de quelques jours. Elle s’organise fortement.

Op de 17de pas naderden sterke vijandelijke kolonnes vanuit Oostende en Brugge de IJzer; andere formaties kwamen via Staden naar Zarren. Foch liet weten dat een Franse brigade van de 89ste Territoriale Divisie naar Zuidschote gebracht zou worden om de Vijfde Divisie te ondersteunen. Daardoor volstond op die plaats één enkele Belgische brigade, die de Zesde Divisie ‘uitleende’, om het bruggenhoofd Luigem te verdedigen.

Als gevolg hiervan kon de hele Vijfde Divisie van Noordschote-Luigem teruggetrokken en als reserve naar Lampernisse overgebracht worden. De Vijfde Divisie moest evenwel paraat blijven om indien nodig de troepen van Ronarc’h in Diksmuide af te lossen. De twee brigades van de Derde Divisie in Lampernisse schoven op en gingen zich nu in Avekapelle opstellen.

De 17de was een relatief kalme dag aan het IJzerfront. Wel kwamen er steeds meer berichten binnen over een nieuw Vierde Duits Leger dat als objectief de lijn Nieuwpoort-Ieper leek te hebben.

Op de 18de oktober begon de Slag aan de IJzer. De Duitsers besloten tot een massale aanval over een front van wel 100 km; vanaf Nieuwpoort tot La Bassée (halfweg Armentières en Arras). De geallieerde voorlinie werd op veel plaatsen overrompeld.

Aan de IJzer werden de voorposten in Schore, Keiem en Mannekensvere na de middag onder de voet gelopen. Beerst hield echter stand. Dank zij een beschieting door een Brits vlootflottielje van drie schepen werd een kolonne van de 4de Duitse Ersatzdivisie verhinderd om de voorpost Lombardsijde in te nemen. Bij een Belgische tegenaanval kon wel wat terrein rond de voorposten heroverd worden, maar de toestand was kritiek.

Het werd de Belgische legerleiding duidelijk dat de hele Duitse troepenmacht die Antwerpen belegerd had nu ook in West-Vlaanderen opgedaagd was. Verder waren er ook een aantal pas gevormde reservekorpsen naar België overgebracht. Foch was intussen bijgedraaid en beloofde vanaf de avond van de 19de versterking naar het bedreigde centrum te sturen, maar die hulp liet dagen op zich wachten omdat de Fransen zelf in zware gevechten verwikkeld waren.

Gelukkig voor de Belgen werd hun front van ongeveer 39 km tot slechts 28 km (Nieuwpoort tot Fort de Knocke) herleid. Door de aanwezigheid van Brits-Franse cavalerie, die in de richting van Roeselare opereerde, werd geoordeeld dat de rechtervleugel van het leger voldoende beveiligd was. Daardoor mocht ook de Belgische Zesde Divisie het gebied Noordschote-Boezinge verlaten. Omdat een krachtige aanval tegen het centrum van de IJzerlinie dreigde, werd deze divisie ten westen van Diksmuide als reserve opgesteld.

Door het inkorten van het Belgische front kon de legerleiding nu een tweede linie inrichten. De reservetroepen die dit mogelijk maakten, waren de Derde Divisie die in Wulpen klaar stond, de Vijfde Divisie in Oostkerke en de Zesde in Lampernisse. De Eerste Cavaleriedivisie kreeg opdracht om samen met Franse ruiterij de rechterzijde van het leger te beveiligen. De overige divisies bleven op hun plaats.

Luchtverkenners meldden dat het gros van de rechtervleugel van het Vierde Duits Leger o.l.v. Albrecht von Würtemberg de IJzer naderde. Sint-Joris werd zwaar beschoten en door Duitse infanterie bestormd. Omstreeks 10 uur werd de Uniebrug aldaar door een zware ontploffing buiten gebruik gesteld, waarna Mannekensvere volledig werd ontruimd en de Belgische soldaten van het 7de Linie naar de linkeroever terugtrokken.

Twee maal bestormden Duitse infanteristen vergeefs Lombardsijde, terwijl Nieuwpoort hevig beschoten werd. De duinen van Lombardsijde op de rechteroever waren voor beide partijen zeer belangrijk omdat dáár kanonnen konden worden opgesteld die het IJzerfront in de lengte (met grotere trefkans) onder vuur konden nemen. Het 13de Linieregiment, dat onder een regen van schroot probeerde de voorpost Keiem te heroveren, werd door Duitse versterkingen in de flank aangevallen. Tegen de avond werd ook Keiem definitief prijsgegeven.

‘s Morgens ging de voorpost Beerst verloren, maar de Franse fuseliers en delen van de Belgische Derde Divisie konden het brandende dorp tegen de avond weer innemen. Het bruggenhoofd Schoorbakke werd niet door Duitse infanterie aangevallen, maar wel zwaar onder vuur genomen. In Diksmuide verving de brigade Meiser - eveneens van de Derde Divisie - de Fransen die tot dan toe dit bruggenhoofd op de rechteroever verdedigd hadden.

Diezelfde ochtend werd in Keiem op een gesneuvelde Duitse officier een tekst gevonden waarin stond dat het oversteken van de IJzer op de 19de uitgevoerd moest worden. Een piloot ontdekte in Sint-Pieterskapelle een Duitse eenheid met een reservebrug. Daarop lieten de Belgen de Tervatebrug in de lucht vliegen omdat verondersteld werd dat de overschrijding van de rivier tussen de Uniebrug en de Tervatebrug zou gebeuren. Om dezelfde reden werd aan de Zesde Divisie bevel gegeven om zich in Pervijze te vestigen.

Het had er alle schijn van dat de Duitsers, die koppig streden om het bezit van Arras, de bedoeling gehad hebben om gelijktijdig aan de IJzer door te stoten. Dit zou hen in staat gesteld hebben om het Britse leger te omsingelen. Dan zouden ze een ‘tangomsingeling’ toegepast hebben na eerst de Fransen en de Belgen, die respectievelijk rechts en links van de Britten streden, te hebben uitgeschakeld.

Op de 20ste lukte het de Duitsers, na dertien uur verbeten strijd, om Lombardsijde en de hoeve Bamburg (gelegen vlakbij het kanaal Nieuwpoort-Plassendale) in te nemen. Hierop trok de Belgische Tweede Divisie zich zowat 600 m terug naar de Palingbrug, dicht bij de Nieuwpoortse havengeul maar nog steeds op de rechteroever.

Het Duitse geschut aan het Praetbos beschoot van in de vroege morgen Diksmuide en veroorzaakte bij de Brigade Meiser en de Franse fuseliers op de rechteroever (beide o.l.v. Ronarc’h) zware verliezen. Vanuit zowel de richting Esen als vanaf Beerst rukten Duitse troepen naar Diksmuide op. Tegen 15 uur zette de vijandelijke infanterie de bestorming in, maar dit opzet mislukte. Foch moest die dag meedelen dat de beloofde hulp pas op de 22ste zou kunnen opereren!

Na drie dagen vechten hadden de Duitsers echter nog op geen enkele plaats de IJzer kunnen bereiken!

Het Duitse leger - dat nu helemaal in de oorlogszone was gearriveerd - nam stellingen vóór de IJzer in. Tegenover Nieuwpoort lag de 4de Ersatzdivision; van Nieuwpoort tot Keiem waakte het 3de Reservekorps en rondom Diksmuide lagen het 22ste en 23ste Reservekorps. Samen waren ze goed voor zeven degelijk uitgeruste divisies. Dit waren niet bepaald de elitekorpsen want ze bestonden uit jonge, onervaren soldaten en oude officieren. Desondanks gaven ze blijk van een vastberaden dapperheid.

Een Duitse Reservedivisie bestond voor 25% uit dienstplichtigen van een bepaalde jaargang, voor 75% uit reservisten en was volledig geoefend.
Een Ersatzdivisie was samengesteld uit jongeren (vooral studenten) die in vredestijd niet opgeroepen werden. Zij had geen ervaring en was niet geoefend.

Met ongehoorde hevigheid werd het Belgische front vanaf 01 uur beschoten. Over een frontlijn van zowat 20 km schoten 400 Duitse stukken met kalibers van 77 tot 210 mm. De loopgraven van de Eerste Divisie in Schoorbakke en van de Tweede Divisie in Nieuwpoort en Sint-Joris werden aan flarden geschoten. Rond Diksmuide werden op sommige ogenblikken 20 à 30 inslagen per minuut geteld. De Belgen schoten terug met 350 stukken van 75 mm en 24 vuurmonden van 150 mm, maar gebrek aan munitie liet zich overal voelen. Tijdens deze beschietingen werd de Belgische kolonel Jacques, die de verdediging van Diksmuide leidde, voor de tweede maal gewond.

Diksmuide onderging vanaf 02 uur ‘s nachts vier aanvalsgolven door jonge soldaten van het 23ste Reservekorps, maar ze werden door de Bretoenen van Ronarc’h met de bajonet verdreven en leden heel zware verliezen. Na de middag wisselden zware Duitse beschietingen en bestormingen door infanterie elkaar af. Twee bataljons van de Vijfde Divisie moesten toesnellen en konden met grote moeite enkele loopgraven van het bruggenhoofd ten zuiden van Diksmuide heroveren.

De bruggenhoofden Tervate en Schoorbakke werden ook door infanteristen van het 3de Korps bestormd. Omdat dit de beste van de Duitse troepen aan de IJzer - en met de zwaarste kanonnen - waren, veronderstelde de Belgische leiding dat de vijand op die plaats een doorbraak zou willen forceren. Aan het einde van de dag bleek dat de verdedigers van beide bruggenhoofden zich wel staande hadden gehouden, maar dat ze hun reserves héél diep aangesproken hadden...

Tussen Noordzee en Leie stonden elf Duitse divisies, waarvan dus zeven aan de IJzer. De zes Belgische divisies waren door de gevechten (vanaf augustus) zwaar gehavend en haalden met moeite de gevechtskracht van vier normale divisies. Omdat de Duitse overmacht te groot was, beval generaal Dossin een kleine inundatie in de kreek van Nieuwendamme. Die opdracht werd tijdens de nacht door de Nieuwpoortse schippersknecht Geeraert en enkele geniesoldaten uitgevoerd. Door deze actie overstroomde over een lengte van 3 km de strook land tussen de rechteroever van de IJzer en het kanaal van Plassendale.

Joffre, die in Veurne bij Koning Albert I op bezoek kwam, beloofde op zijn beurt zo vlug mogelijk Franse steun te sturen. Het Franse en Belgische opperbevel geraakten het er over eens dat het Belgisch leger de IJzer tot aan het dorp Sint-Jacobskapelle zou verdedigen; een frontlijn van 23 km.

Tijdens de nacht volgde over het hele front een hevige beschieting door Duitse artillerie. Eerst werd de Belgische voorlinie beschoten; dan het terrein achter de gevechtstelling om de komst van reservetroepen te bemoeilijken. Naast de aanval op de Belgen aan de IJzer, viel het Duitse leger in die dagen ook de Fransen in Arras en La Bassée alsook de Britten in Ieper aan.
Avatar gebruiker
Sabina
Korporaal-chef
Korporaal-chef
 
Berichten: 45
Geregistreerd: 01 jun 2008, 20:53

Re: De slag aan de IJzer.

Berichtdoor Sabina » 08 jun 2008, 19:53

Blijkbaar waren de Duitsers ervan overtuigd dat een overwinning niet lang kon uitblijven, want op 22 oktober verbleef keizer Wilhelm II in Roeselare. De bocht van Tervate werd al twee dagen vanuit Schore, Leke en Keiem beschoten. Beschermd door dit bombardement slaagden drie Duitse bataljons - vergezeld door een compagnie met 12 machinegeweren - erin via een noodbrug de IJzer over te steken en de hele bocht van Tervate te bezetten. Een Belgisch tegenoffensief vanuit de hoeve Vicogne met een bataljon grenadiers o.l.v. majoor d’Oultremont en twee bataljons karabiniers o.l.v. kolonel Biebuyck bleef steken op ongeveer 300 m van de IJzeroever en eiste vermoedelijk 1.200 Belgische doden. Tegen het vallen van de avond was de Belgische frontlijn met 600 m naar achteren opgeschoven. Dit Duitse succes zou nog verstrekkende gevolgen hebben!

Lombardsijde, dat slechts een kleine Duitse bezetting gekregen had, werd vanuit Nieuwpoort heroverd. De hoeve Bamburg aan het kanaal Nieuwpoort-Plassendale bleef evenwel in Duitse handen. Diksmuide werd zonder ophouden bestookt, maar de Duitse infanterie hield zich - na de desastreuze stormlopen van de voorbije dag en nacht - afzijdig.

De Fransman Grossetti kwam tegen 17u30 naar het Belgisch hoofdwartier in Veurne en deelde er mee dat hij niet onder Belgisch gezag stond. Hij was van plan in de regio Nieuwpoort aan te vallen en niet in Tervate zoals de koning gevraagd had.

Na zes dagen strijd werd op 23 oktober de laatste brug - die van Schoorbakke - opgeblazen omdat Duitse machinegeweren elk gebruik ervan onmogelijk maakten. Toen besloten de Fransen de lang beloofde 42ste Divisie (16de Corps) o.l.v. generaal Grossetti toch maar naar het centrum van de IJzerlinie te sturen. De plaatsen Tervate, Stuivekenskerke en de kasteelhoeve Vicogne werden tegen de middag door de fel vechtende Duitsers op het wijkende Belgische leger veroverd.

De Belgen trokken zich geleidelijk terug achter een nieuwe linie die gevormd werd door de Noordvaart, Beverdijk, Reigersvliet en Oud-Stuivekenskerke. Omdat de Duitsers al twee divisies (de 6de en 44ste) over de IJzer gebracht hadden, dacht onze legerleiding er ernstig aan weerstand te bieden vanaf het nog meer westelijk gelegen kanaal van Lo (Lovaart).

Opnieuw lag Diksmuide onder zwaar kanonvuur en twee nachtelijke verrassingsaanvallen konden door man-tegen-man-gevechten afgeslagen worden. Rondom Sint-Joris werd het 7de Linieregiment al vijf dagen met granaten van 210 mm en met machinegeweren beschoten. Het kon er maar moeilijk stand houden en werd door het 14de Linie afgelost. Daarentegenwerd de situatie in Nieuwpoort gunstiger. Franse soldaten slaagden erin wat op te dringen in de richting van Westende. Talrijke Duitse krijgsgevangenen en twee machinegeweren waren de buit van die operatie.

Alle Belgische divisies waren zwaar op de proef gesteld en hadden ernstige verliezen geleden. Zo telde het Eerste Bataljon van het Tweede Karabiniers nog slechts 6 officieren en 326 manschappen. Tijdens de nacht werd gepoogd om met allerlei uiteengeslagen compagnieën nieuwe reserves op te bouwen.

De Fransen van de 42ste Divisie Grossetti werden toch nog deels tegen Westende en deels (maar veel te laat) in de bocht van Tervate ingezet. In afwachting dat de Fransen enig resultaat boekten, probeerden de Belgen tussen Schoorbakke en Stuivekenskerke stand te houden. Maar precies daar ontplooiden de Duitsers een intense activiteit en bouwden er in hoog tempo vier loopbruggen en drie grotere bruggen om artillerie over de rivier te brengen.

Stuivekenskerke kon zelfs met de hulp van de Fransen niet heroverd worden. De vijand, die voortdurend werd versterkt, slaagde er geleidelijk in naar het zuiden op te schuiven. Ten westen van Schoorbakke moest de Eerste Divisie ook wat terrein prijsgeven en verschanste zich vervolgens achter de Grote Beverdijk. Koning Albert vroeg nog maar eens - voorlopig nog zonder resultaat - dat de volledige Divisie Grossetti in het verzwakte centrum van de Belgische frontlijn ingezet zou worden. Foch, die het Belgisch hoofdkwartier kwam bezoeken en aan zijn belofte voor hulp herinnerd werd, schreeuwde naar kolonel Wielemans die hem te woord stond:

“Vous avez tenu huit jours; vous tiendrez encore huit jours”.
Ondertussen ging de moordende beschieting op Sint-Joris door. Het 14de Linie moest zich achter de Noordvaart terugtrekken, maar een tegenaanval van twee bataljons van het 5de Linie hield de Duitsers in dit dorp vast.

In Diksmuide trokken Duitse troepen in dichte gelederen tijdens de nacht van 23 op 24 oktober tot vijftien maal toe vergeefs ten aanval. Ze werden jammerlijk met machinegeweren neergemaaid of met de bajonet bestreden. Bij dageraad werd de vijandelijke infanterie teruggetrokken, waarna een hevige beschieting volgde waarbij kalibers tot zelfs 410 mm werden gebruikt. Omstreeks 10 uur slaagden de Duitsers er toch in enkele loopgraven ten zuiden van het bruggenhoofd in te nemen, maar Belgen en Franse fuseliers ondernamen met succes een tegenaanval. Hier waren zes geallieerde bataljons met een sterkte van 2.500 man al drie dagen ononderbroken in gevechten verwikkeld, en zouden pas op de 26ste afgelost worden.

Diezelfde dag bezocht Foch eveneens koning Albert en bracht hem op de hoogte van de Franse plannen voor een onderwaterzetting tussen Duinkerke, Lo, Veurne en Sint-Winoksbergen op de 26ste. De Belgische premier de Broqueville wou dit verhinderen en zocht steun bij opperbevelhebber Joffre. Die gaf dan Foch telegrafisch opdracht om te wachten. Een Franse onderwaterzetting zou de Belgen van de bevriende legers isoleren en hen verplichten zich binnen Frankrijk terug te trekken. Dit strookte helemaal niet met de plannen van Joffre!

De Duitsers doorstonden een nieuwe tegenaanval van de Franse 83ste Brigade die Stuivekenskerke wel heel even kon innemen, maar weer moest prijsgeven. Tijdens de nacht mocht Grossetti eindelijk zijn hele divisie naar Pervijze overbrengen. Het was een geluk dat die dag vooral met artillerie strijd werd gevoerd. Van de relatieve kalmte maakten de Belgen gebruik om de gehavende eenheden te herstellen en gewonden af te voeren. Hun aantal gewonden bedroeg toen al 9145.

Intussen had de Belgische legerleiding door het Duitse opdringen overwogen om weerstand te bieden aan de spoorlijn Diksmuide-Nieuwpoort. De verhoogde spoorberm leverde een goede bescherming terwijl de tegenstander zonder dekking over een volledig vlak terrein moest naderen. Verder was er het feit dat de spoorberm zich tot zowat drie en een halve meter boven het zeewater bij eb verhief en dus bij een komende inundatie ook zou blijven uitsteken. Een ander gunstig argument was de rechte lijn die door de spoorweg gevormd werd en waardoor er geen gevaar bestond voor een beschieting in de flank zoals dat in de bocht van Tervate wél gebeurd was.

Blijkbaar had het Franse inundatieplan ook bij de Belgische generale staf iets wakker gemaakt. Er werd voor het eerst gewag gemaakt van een beperkte overstroming - koning Albert I stond aanvankelijk huiverig tegenover het idee om het allerlaatste stukje vaderlandse grond gedeeltelijk met zout water te verwoesten - in het meest bedreigde gebied. Als dit lukte, zouden de Fransen hún plan niet ten uitvoer moeten brengen. Een groot probleem was echter dat het leger nooit verwacht had zich aan de IJzer te moeten weren tegen een aanvaller die uit het oosten zou komen. Daardoor waren de militairen onvoldoende op de hoogte van het systeem van waterlopen in de streek. Bovendien was het (burgerlijk) sluispersoneel op 19 oktober gesommeerd om Nieuwpoort te verlaten en had men nagelaten te informeren naar welke dorpen die personeelsleden zich zouden begeven. De Duitsers bleken echter - om dezelfde reden - evenmin op de hoogte van de waterhuishouding in het IJzergebied!

In Veurne werd op 25 oktober Karel Cogge, opzichter van de Noordwatering (23.500 ha), op het stadhuis ontboden om samen met de genie een overstroming tussen de spoorlijn en de IJzer te bespreken. Er wordt beweerd dat de Veurnse rechter Emeric Feys als eerste kolonel Wielemans erop attent gemaakt zou hebben dat in het verleden het wapen van de inundatie met succes in de streek van Nieuwpoort toegepast werd. Andere versies kennen deze eer aan het leger toe! Eigenlijk wist elke landbouwer uit de polders dat het openzetten van de sluizen of het doorsteken van de dijken de streek onder water zou zetten. Dat zal de legerleiding in oktober 1914 ook heel vlug geweten hebben. Maar het was alleen Karel Cogge die, als opzichter van de Wateringen (met 30 jaar werkervaring), voldoende kennis over het ontwateringssysteem bezat om de juiste aanwijzingen voor een controleerbare inundatie te geven. En het was Hendrik Geeraert die in Nieuwpoort de zwengels wist te vinden om de overlaten van de ontwateringskanalen open te draaien.

De kustpolders werden en worden door talrijke waterlopen doorsneden. Enkele worden voor de scheepvaart gebruikt en andere dienen voor de afvoer van het overtollige water uit de polders. Deze laatste waterlopen hebben echter geen verhoogde oevers en bieden dus weinig bescherming. Het hele afwateringsysteem komt in de Nieuwpoortse achterhaven samen en vormt daar de zgn. ‘Ganzenpoot’. De waterlopen die voor scheepvaart in aanmerking komen, beschikken over sluisdeuren om schepen te schutten. De drie waterlopen die overtollig water afvoeren, hebben schotten of schuifdeuren die bij eb geopend en bij vloed gesloten worden.
Cogge stelde voor om de ‘Overlaat van Veurne-Ambacht’ te gebruiken. Toen bleek dat de Duitsers zich erg dicht bij de sluizen in de Nieuwpoortse achterhaven genesteld hadden, werd dit niet geaccepteerd. Om veiligheidsredenen zou gebruik gemaakt worden van het ‘Oud-Veurnesas’ (of ‘Kattensas’), dat tussen Nieuwpoort-Stad en -Bad lag (op zowat 900 m van het sluizencomplex) maar al 35 jaar nog nauwelijks gebruikt werd. Omstreeks 16 uur werd begonnen met de doorgangen onder de spoorberm dicht te stoppen opdat het water zich niet in de Belgische linies zou verspreiden. En dat was een heel karwei want op die afstand van 14 km waren er niet minder dan 4 grote en 23 kleine doorgangen (duikers) voor het water. Sommige grachten waren heel klein, maar er waren ook kanaaltjes van 6 à 9 m breedte. De Grote Beverdijkvaart, de Venepevaart, de Slijkvaart e.a. zijn belangrijke waterlopen en die moesten worden afgesloten. In de buurt van Nieuwpoort werd een nooddijk van enkele honderden meters tussen de afdamming van de Koolhofvaart en het kanaal Veurne-Duinkerke opgeworpen.

Er ontstond op de 25ste enige tijd paniek want een Duits bataljon was om 20 uur vanuit Esen over de IJzer geraakt en kon, gebruik makend van zwaar stormweer, tot Kaaskerke vlakbij het hoofdkwartier van admiraal Ronarc’h doordringen. Daar eindigde hun tocht en de volgende ochtend werden de overlevenden krijgsgevangen gemaakt. Dit was een zware tegenvaller voor de Duitsers want bij een overschrijden van de IJzer moesten ze absoluut Diksmuide in handen hebben vooraleer ze verder naar het westen door konden stoten.

Tegen de avond hield het Belgisch leger stand op de stellingen Noordvaart-Beverdijk in Oud-Stuyvekens en aan de IJzerdijk, ten zuiden van de hoeve Torenhof. Nieuwpoort en Diksmuide bleven eveneens in Belgische handen.

In het bruggenhoofd Diksmuide werd de Brigade Meiser door twee bataljons Senegalezen en een Belgisch bataljon van de 5de Divisie vervangen.

De Vierde en Vijfde Divisie behielden hun posities, maar onderdelen van de Eerste en Tweede Divisie verlieten de linie Beverdijk-Reigersvliet en trokken zich terug op de spoorwegberm omdat nu een (Belgische) inundatie op komst was. Alle voorbereidende maatregelen hiertoe waren uitgevoerd.

In de nacht van 26 op 27 oktober mislukte een eerste poging met het Oud-Veurnesas (Kattensas) doordat het stijgende zeewater de sluisdeuren deed dichtklappen. De volgende nacht lukte het maneuver wél, maar de kleine sluis (5,60 m opening) kon onvoldoende water doorlaten. Cogge voorspelde dat het minstens drie dagen zou duren vooraleer met deze sluis voldoende water aangevoerd kon worden.

De verhoopte overstroming was hoognodig want het Belgische leger kon de immense Duitse druk niet langer aan en stond op het punt overrompeld te worden. Het materieel had ook verschrikkelijk geleden, niet in het minst doordat veel Franse munitie was gebruikt voor kanonnen die van Duitse makelij waren. Het geschut was sinds de 18de intensief gebruikt en bijna de helft van de stukken was defect geraakt. Ook de munitie was zodanig geslonken dat per kanon er gemiddeld nog slechts 100 à 150 granaten beschikbaar bleven. Bovendien deed de vijandelijke artillerie in het gebied van Stuivekenskerke zijn intrede ten westen van de IJzer.

‘s Avonds vertrok koning Albert met zijn chef-staf Galet naar Sint-Omaars om bij de Britse maarschalk French steun te vragen. French moest weigeren omdat hijzelf geen enkele reserve meer had. Het verblijf van enkele uren onder de flegmatieke Britten, bij wie het niet aan te zien was dat ze rondom Ieper in zware gevechten verwikkeld waren, had een zeer positieve uitwerking op beide Belgische bevelhebbers.

Om op alle gebeurtenissen voorbereid te zijn, besloot de legertop om de twee cavaleriedivisies aan de bruggen over het kanaal van Lo te laten postvatten.

Tussen 27 en 29 oktober verminderde de Duitse aanvalsdruk omdat de vijand zijn posities op de linkeroever eerst wilde consolideren. Wel waren er in de nacht van de 26ste op de 27ste twee aanvallen op de spoorlijn. Een in de richting van Booitshoeke en een andere op het stationnetje van Pervijze. Beide pogingen werden afgeslagen. Er werd nog wel op Nieuwpoort, Ramskapelle, Pervijze en Diksmuide gevuurd, maar niet met het ongehoorde geweld van de vorige dagen.

Pas tegen de avond, omstreeks 22 uur, waren er beperkte aanvallen van de vijandelijke infanterie op Ramskapelle, Pervijze, Lettenburg en Diksmuide. Tegen de morgen kwam de rust aan het front terug, maar Pervijze werd nog lange tijd hevig beschoten. De Duitse infanterie slaagde er in om tussen Oud- en Nieuw-Stuivekenskerke verder te infiltreren.

Er werd van de relatieve pauze in de gevechten gebruik gemaakt om de eenheden van de Derde en Zesde Divisie, die tot de tweede lijn behoorden maar door de gevechten met de voorlinie versmolten waren, weer uit elkaar te halen en opnieuw als reserve op te stellen.

Het respijt dat de vijand ook die dag aan de Belgen gunde, kon niet met lanterfanten gevuld worden. Er werden nieuwe loopgraven aangelegd en de oude provisorisch hersteld. Eten en munitie werden aangevoerd, hoewel regelmatig door alarmmeldingen onderbroken. Aflossing van de manschappen was onmogelijk en kwartiervorming onbestaande. Sommige afdelingen sliepen sinds twaalf dagen op de plaats waar de nacht hen verraste.Vanaf de 28ste begon het water in de sloten al merkbaar - maar onvoldoende - te stijgen.

De vijandelijke activiteit tegen de Eerste, Tweede en Vierde Divisie hernam op de 29ste. Het was het voorspel van de enorme inspanning die het hele leger van de hertog van Würtemberg ‘s anderendaags over een breed front zou ondernemen en waarbij de keizer -sinds de 26ste in Tielt - zou toezien.

Na heel zware beschietingen trok omstreeks 10 uur Duitse infanterie tussen Booitshoeke en Pervijze ten aanval. Het 3de en 4de Linieregiment weerstonden hen met succes en deden dit nog eens na de middag. Omstreeks 17 uur droop de vijand af. De omgeving van Diksmuide werd vervolgens langdurig met kanonnen bestookt.

De legerleiding, die een dramatische afloop voorvoelde, besliste op 29 oktober om alles op alles te zetten en op advies van Cogge tóch van de ‘Overlaat van Veurne-Ambacht’ (Noordvaart, Beverdijkvaart) gebruik te maken, hoewel die zich in het niemandsland bevond. Met deze spuisluis kon een groter debiet, 10 à 12 maal groter dan het Oud-Veurnesas, aangevoerd worden. Ongelukkig hadden drie Franse bataljons - door Grossetti achtergelaten - geoordeeld dat hun positie op de rechteroever te riskant was en op eigen houtje waren ze op 26 oktober naar de andere oever getrokken. Hierbij was ook de meest westelijke van de vijf bruggen over het sluizencomplex opgeblazen. Daarom moesten nu enkele loopplanken de brug vervangen.

Om halfacht ‘s avonds trok de Nieuwpoortenaar Hendrik Geeraert met kapitein Umé en enkele manschappen naar het niemandsland. Er moest gepoogd worden om - in de korte periode dat het zeewater en het binnenwater op hetzelfde niveau stonden - de acht dubbele schuifdeuren te openen. Bij enig niveauverschil zouden de schotten door de druk van het water klemvast in hun gleuven blijven steken. Elke opening bedroeg 3,5 bij 2 m zodat in totaal 56m² doorstroomopening voorhanden was. De drempel van de spuisluis is vrij laag en bedraagt Z+0,165 m zodat bij vloed een grote hoeveelheid zeewater in de sloten van het achterland binnendrong. Bij eb werden de deuren gesloten en de volgende drie nachten werd dit scenario herhaald.

Van ‘s morgens heel vroeg en in de stromende regen vielen de Duitsers op zowat alle plaatsen aan de IJzer aan en wachtte keizer Wilhelm II in Tielt op de zegemelding. Frisse Duitse troepen werden ingezet. Vijandelijk geschut opende overal de aanval; waarna de infanterie tot de actie overging. Aanvankelijk werden successen gemeld. De Duitsers geraakten over de spoorberm en omstreeks 07 uur vielen Ramskapelle en Pervijze (station) in handen van de soldaten van von Beseler. Dat waren dan wel de enige punten waar de Belgische linie doorbroken werd. Naast Belgische werden ook Franse koloniale troepen uit Algerië ingezet om Ramskapelle te heroveren. Omstreeks 11 uur begonnen daar lijf-aan-lijf-gevechten die de hele middag en ook ‘s nachts voortgezet zouden worden. Het dorp kon evenwel slechts gedeeltelijk heroverd worden.

Op andere plaatsen meer naar het zuiden werden de Duitsers door de verdedigers in een defensieve stelling gedrongen. De 3de Divisie nam wel 300 Duitsers gevangen, maar erger was het bericht van de Vierde Divisie dat nog slechts 12 van hun 23 kanonnen bruikbaar waren.

Om 20 uur werd de spuisluis opnieuw geopend. Tot 01 uur kon het water geruisloos de sloten en lage weiden innemen. Vóór de spoorberm lag een 2 km breed watertapijt en tot aan Pervijze waren de weilanden uiterst drassig geworden. Dit zou nog grote problemen geven want het water uit de polders kon nu niet meer via de Overlaat van Veurne-Ambacht geloosd worden. Dit kon door de Oude-Veurnevaart en het Kattensas maar ten dele opgelost worden. Later werd via het kanaal van Lo water afgevoerd, maar het bleef beredderen.

Een half uur vóór middernacht maakte de 6de Duitse Reservedivisie bekend dat de aanval niet voortgezet kon worden. De Duitsers - die geen Karel Cogge ter beschikking hadden - veronderstelden dat de IJzer buiten zijn oevers getreden was en hielden de zware regenval van de voorbije dagen verantwoordelijk voor de wateroverlast. Ze hoopten toen nog dat de ontwateringskanaaltjes dit ongemak vlug zouden wegwerken...

De Duitse kapitein Otto Schwink schreef over die gebeurtenissen een boek dat in 1919 in het Frans vertaald en in Brussel uitgegeven werd:

‘In de ochtend van 30 oktober 1914 zou de vijand de genadeslag krijgen. Om 6u30’ begint de aanval. Onze troepen slagen erin tot vlakbij Pervijze en de spoorlijn door te dringen. Eén regiment gelukt het zelfs om Ramskapelle te bereiken. De vijandelijke verdediging is gebroken! Piloten melden kolonnes die naar Veurne terugtrekken. Noch de kanonnen van de Engelse oorlogsschepen die vanop 17 km schieten, noch de ononderbroken tegenaanvallen van Belgen en Fransen slagen erin om de zegevierende troepen van von Beseler een halt toe te roepen. ‘s Avonds is Ramskapelle volledig in onze handen. Het vechten gaat in alle hevigheid door.
‘s Anderendaags zal de aanval hernomen worden. Maar tegen 23u30’ meldt een stafofficier van de 6de Divisie dat, wegens het stijgen van het water, de aanval afgelast wordt. Wat gebeurt er? Onze heldhaftige soldaten blijven op post, maar het water reikt op enkele plaatsen tot aan hun knieën. De modder zuigt hen vast en wie gaat liggen, is verloren...

Terugtrekken is gevaarlijk, maar dit maneuver wordt schitterend uitgevoerd ondanks de moeilijke oriëntatie in dit ondergelopen land. Geen enkel kanon, niet één gewonde is in de handen van onze tegenstrevers gebleven. De hele actie wordt zo perfect uitgevoerd, dat de vijand pas na ons vertrek beseft wat er gebeurt...’ (citaat uit ‘Le Furnes-Ambacht submergé en 1914’ - pag. 188-189).

1.3. Na de onderwaterzetting (31 oktober 1914 - 15 oktober 1918)

31 OKTOBER 1914

Door de overstroming moeten de Duitsers hun loopgrachten tussen de IJzer en de spoorweg verlaten. De slag aan de IJzer is voorbij.

De Duitsers houden nog enkele weerstandsnesten op de linkeroever :

St.-Joris
de Grote Hemme (te Ramskapelle)
de boerderijen "De Toren" en "Vandewoude" en de petroleumtanks te Kaaskerke
10 NOVEMBER

De Duitsers slagen er eindelijk in om Diksmuide te veroveren en daar tot aan de IJzer te raken.

22 APRIL 1915 : Slag om Steenstrate

Zie onder Ieperboog

10 - 11 JULI 1917 : De Duitse aanval op Nieuwpoort

In de sector Nieuwpoort aan de IJzermonding organiseren de Duitsers een bombardement en een infanterie-aanval. Deze Duitse aanval stuurt de Britse plannen voor een amfibie-landing, ter ondersteuning van de "Derde slag bij Ieper", in de war. Later worden deze amfibie-plannen volledig afgelast.

6 MAART 1918 : Slag om Reigersvliet

De Duitsers voeren een verrassingsaanval uit op de "Grote Wachten" van Reigersvliet en van Oud-Stuivekenskerke. Na een kort maar hevig artillerievuur bestormen manschappen van de Duitse 214de divisie de Belgische verdedigingsposten. De Belgen wijken eerst maar slagen er dan toch in om tegen de avond hun loopgraven te heroveren.

17 APRIL 1918 : Slag bij Merkem

De Belgische 3de, 4de en 9de infanteriedivisies verijdelen een Duitse doorbraak ten noorden van de Ieperboog tijdens het Duitse lente-offensief. (Zie Ieperboog)

1.4. Het bevrijdingsoffensief (voor de IJzer vanaf 16 oktober 1918)

Tijdens de tweede fase van het geallieerde bevrijdingsoffensief komt er eindelijk ook beweging aan het IJzerfront.

Op 16 oktober 1918 rukken Belgen langs de kust op.

Op 17 oktober houden Belgen hun intrede op de markt van Brugge.
Avatar gebruiker
Sabina
Korporaal-chef
Korporaal-chef
 
Berichten: 45
Geregistreerd: 01 jun 2008, 20:53

Re: De slag aan de IJzer.

Berichtdoor Tandorini » 09 aug 2008, 19:54

NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18


Keer terug naar Wereldoorlog 1 in België.

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 2 gasten

cron