Storia d’Italia 1850-1945.

Alles over het Italiaanse leger van vroeger en nu.

Moderators: Messalina, Tandorini

Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 14:40

ITALIË 1850 – 1918: DE ONAFHANKELIJKHEIDSSTRIJD EN DE EERSTE DECENNIA ALS ZELFSTANDIGE STAAT.
De Italiaanse vereniging was een langdurig proces. Na een lange strijd tegen Oostenrijk was de eenheid in 1861 grotendeels voltooid. De katholieke kerk had zich tegen het zelfstandigheidsstreven van de Italianen verzet, zelfs gewapend. De Italianen namen de katholieke kerk als wraak al haar bezittingen af. De katholieke kerk pikte dit niet en probeerde via vakbonden en politieke partijen haar macht te heroveren. Italië werd een koninkrijk met een tweekamerstelsel met een door de koning benoemde Senaat en een gekozen Kamer. Gedurende de eerste decennia werd het gezag van de regering ondermijnd door de twisten tussen de politieke partijen: de conservatieven, de liberalen en de radicalen.

Conservatieven:
Dit waren mensen die alles wilden houden zoals het was. In Italië was er een diepe kloof tussen rijke grootgrondbezitters en arme landarbeiders. De grootgrondbezitters wilden hun macht en invloed graag behouden. Ze onderdrukten het verzet van de arbeiders tegen hun achtergestelde positie met geweld en censuur(geen vrijheid van meningsuiting)

De liberalen:
Dit waren mensen die voor vrijheid waren op elk gebied. Ze dachten dat deze vrijheid alle problemen vanzelf zou oplossen. Maar vooral in de economie bleek dit niet zo te zijn. Daarom vielen de liberalen uiteen in twee verschillen groepen:

A: De conservatieve Liberalen:
ze wilden geen bemoeienis van de regering in de economie, ondanks het feit dat de lonen zo laag waren door de bevolkingsgroei dat de arbeiders amper genoeg verdienden om in leven te blijven. Ze wilden de macht en invloed van grootgrondbezitters en later de industriëlen behouden. Wel stonden ze op ander gebieden vrijheid toe(vrijheid van meningsuiting, vergadering, enz) zolang dit niet gepaard ging met geweld.

B: De progressieve liberalen:
Zij zagen in dat de regering moest ingrijpen in de economie om de positie van de landarbeiders en later de industriearbeiders te verbeteren.

De Radicalen:
Hiertoe behoorden zeer verschillende groepen:

A: De socialisten:
Zij wilden de achtergestelde positie van de arbeiders opheffen door met geweld de macht te grijpen. Ze wilden met een revolutie aan de macht komen. De arbeiders kregen het vervolgens voor het zeggen. Later, na 1900, zouden de socialisten uiteenvallen in communisten(macht aan het volk, alle bezit in handen van de staat, nog steeds strevend naar een revolutie met geweld) en de socialisten(zij probeerden de omstandigheden van arbeiders te verbeteren via de politieke weg).

B: De republikeinen:
Zij wilden een gekozen staatshoofd, de koning moest dus verdwijnen. Ook zij wilden arbeiders meer invloed geven in het bestuur van het land.

Voor 1900 had Italië een regering van liberalen waarin de conservatieve liberalen het voor het zeggen hadden. Alle opstanden van de arbeiders werden met grof geweld door leger en politie onderdrukt. Dit zorgde voor steeds grotere spanningen in het land. Deze spanningen bereikten hun hoogtepunt in 1900, toen koning Umberto I werd vermoord door de radicalen.

Italië 1900 - 1914: Italië komt in rustiger vaarwater: Het tijdperk Giolitti


Afbeelding

Giolitti zag in dat de eisen van de arbeiders niet langer genegeerd konden worden en begon met maatschappelijke veranderingen. De staat nam maatregelen om de positie van de arbeiders te verbeteren:

A: In 1911 werd het (lager( onderwijs verplicht en iedereen(dus ook de arbeiders) kon het
volgen.
B: Er kwamen sociale voorzieningen(kinderbijslag, uitkeringen, enz)
C: Vanaf 1912 mochten alle mannen van 18 en ouder stemmen(kiesrecht)

Ondertussen ontstond er ook een steeds grotere kloof tussen het Noorden van Italië, waar industrie was ontstaan waardoor het gebied steeds rijker werd, en het Zuiden van Italië, waar men nog steeds leefde van de landbouw. De landarbeiders werkten nog steeds voor grootgrondbezitters en hadden het slecht.

Giolitti probeerde iets aan deze kloof te doen door de aanleg van spoorwegen om het zuiden beter bereikbaar te maken. Dit zorgde voor werk en er ontstond wat industrie(te weinig).
Ook werden er grote publieke werken uitgevoerd(aanleg wegen, drooglegging van moerassen) om de mensen in het zuiden aan ander werk te helpen. Door het kappen van bossen en het droogleggen van moerassen kreeg een aantal landarbeiders nu eigen grond. De Italiaanse economie groeide sterk en de welvaart steeg. Donkere oorlogswolken pakten zich echter samen boven Europa.

In 1911 besloot Italië dat de koloniën in Afrika uitgebreid moesten worden. Het kwam tot een oorlog met het Turkse rijk. De Italianen hadden gedacht deze oorlog gemakkelijk te kunnen winnen, maar dit viel tegen. De steun van de Italiaanse bevolking voor de oorlog nam af. Giolitti moest een akkoord sluiten met de katholieke Volkspartij die door de invoering van het mannenkiesrecht in 1912 veel stemmen kreeg van de streng katholieke Italiaanse bevolking. De socialisten waren boos en stapten uit de regering. De regering viel.

Italië 1914 - 1918: De Eerste Wereldoorlog.
Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak had Italië een bondgenootschap met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Dit bondgenootschap was bij de bevolking niet erg populair omdat Oostenrijk nog steeds enkele gebieden bezette die volgens de Italianen bij Italië hoorden.

Italië verklaarde zich in eerste instantie neutraal. Het ging onderhandelen met beide oorlogvoerende partijen om te kijken welke partij Italië het meeste te bieden had. Op 26 april 1915 tekende Italië een (geheim) verdrag met Frankrijk, Engeland en Rusland. Deze landen beloofden de Italianen de volgende gebieden in ruil voor de deelname aan de oorlog:

A: Istrië en Dalmatië(de kuststrook van het huidige Kroatië)
B: Triëst(= een stad)
C: Zuid-Tirol(Oostenrijks gebied)

De Italiaanse bevolking was ondertussen sterk verdeeld over de vraag of Italië wel of niet moest deelnemen aan de Eerste Wereldoorlog:

De katholieke en socialistische leiders wilden neutraal blijven. Sommige socialisten waren het hiermee niet eens. De bekendste was Benito Mussolini. Hij was voor de oorlog. Hij richtte zijn eigen krant op, Popolo di Italia(het volk van Italië). Later richtte hij ook een eigen politieke beweging op. Ook veel progressieve liberalen waren voor deelname aan de oorlog. Zij zagen Duitsland en Oostenrijk als de belichaming van het conservatisme. Ook de republikeinen waren voor deelname aan de oorlog omdat men dan eindelijk de gebieden kon bevrijden die nog in handen waren van de Oostenrijkers. Uiteindelijk besloot de regering de strijd in te gaan aan de kant van de Engelsen, Fransen en Russen.

Was Italië voorbereid op een oorlog?

Italië was niet voorbereid op een oorlog. Het land bezat industrie maar geen eigen ijzererts. Dit moest geïmporteerd worden vanuit het buitenland. Italië had wel kolen, maar de kwaliteit hiervan was zo slecht dat ze enkel gebruikt konden worden voor verwarming van huizen, niet voor het smelten van ijzer. Ook de steenkool moest dus geïmporteerd worden en dit was lastig in oorlogstijd, omdat elk land zijn grondstoffen eigenlijk zelf nodig had. Ook de voedselproductie(vooral graan) liet te wensen over. Italië kon zichzelf niet voedden en moest graan importeren vanuit het buitenland.

Het militaire verloop van de Eerste Wereldoorlog voor Italië, 1915-1918.
Het Italiaanse leger was groot. Het telde bij het begin van de oorlog ongeveer 850.000 man. Ze waren slecht voorzien van kanonnen, de munitie was schaars en het aantal machinegeweren was klein. De officieren waren slecht opgeleid. Het terrein was in het voordeel van Oostenrijkers en de Duitsers. Zij zaten op de bergtoppen en de Italianen in de dalen. Ondanks hun moed wisten de Italianen in 1915 geen enkel succes te boeken. Vier offensieven kostten al in het eerste jaar meer dan 100.000 Italianen het leven.

Begin 1916 gingen de Oostenrijkers in de tegenaanval in Zuid-Tirol. Na aanvankelijke terreinwinst wisten de Italianen hun opmars te stoppen.

De Italiaanse bevelhebber Cardona zag zijn kans. Hij verplaatste zijn troepen vliegensvlug per trein van Zuid-Tirol naar de Isonzo(= grensrivier met het tegenwoordige Slovenië) om de Oostenrijkers te verrassen. De aanval begon op 4 augustus 1916. De Oostenrijkers werden compleet verrast, maar de Italiaanse aanvallers traden te aarzelend op. Hierdoor konden de verdedigers zich herstellen. De gevechten aan de Isonzo werden een uitputtingsslag met weer tienduizenden doden aan beide kanten.

In 1917 waren de Italiaanse soldaten de zinloze aanvallen van hun commandant Cardona beu. Er werd geen enkele terreinwinst geboekt en er vielen honderdduizenden doden. Cardona wilde gewoon doorgaan met aanvallen en liet weigeraars doodschieten. Het Italiaanse moreel(motivatie) van de soldaten daalde sterk.

In de herfst van 1917 leden de Italianen een afschuwelijke nederlaag bij Caporetto omdat de Oostenrijkers hulp kregen van Duitse troepen.

De Italiaanse regering greep in en verbeterde de leefomstandigheden van de soldaten. De vele landarbeiders onder de soldaten werd een beter leven na de oorlog beloofd. Ze zouden eigen land krijgen. Ook de voeding van de soldaten werd sterk verbeterd. Ze kregen vanaf nu elke dag vlees(iets wat de landarbeiders thuis niet konden betalen, het enige wat ze daar aten was polenta, een soort maispap) en mochten af en toe met verlof naar huis.

De Italiaanse industrie deed er alles aan het verloren materiaal te vervangen. Men koos voor kwaliteit in plaats van kwantiteit. De troepen werden beter getraind en kregen meer en betere wapens. Ook werden binnen het leger elite-eenheden gevormd ,de zogenaamde Arditi.

Afbeelding

Arditi betekent in het Italiaans “de dapperen”. De Aditi droegen een zwart hemd en een dolk. Ze waren uitstekend voorzien van machinegeweren en andere wapens en werden alleen ingezet als er aangevallen moest worden.

In de tijd dat er niet werd aangevallen zaten ze achter het front. Ze werden vertroeteld en hadden niets tekort. Als er echter aangevallen moest worden waren zij de klos.

Na de verpletterende nederlaag bij Caporetto trokken de Italianen zich terug op de rivier de Piave. Cardona werd ontslagen en opgevolgd door generaal Diaz(zie foto hieronder).


Afbeelding

Diaz stopte de zinloze aanvallen en liet sterke stellingen aanleggen aan de Piave. Vooral het Monte Grappa massief werd voorzien van bunkers met machinegeweren en snelvuurkanonnen.

De Italianen wisten dat ze bij de Piave moesten standhouden om Venetië en de Adriatische zee te behouden.

De Italianen brachten 20 van hun nieuwe divisies(= per divisie ongeveer 15.000 man) waaronder de Arditi naar het Piave-front. De strijd begon slecht. De Oostenrijkers wisten de rivier ondanks heftige Italiaanse tegenstand over te komen.

Op 19 juni 1918 deden de Italianen een heftige tegenaanval. Vooral in het Monte Grappa massief werd zwaar gevochten. De Italianen maaiden vanaf de Monte Grappa de Oostenrijkse troepen weg. De Oostenrijkers verloren tweemaal zoveel manschappen als de Italianen. De Oostenrijkers moesten zich terugtrekken.

Op 24 oktober 1918 gingen de Italianen in de aanval. Ze veroverden Vittorio Veneto(de noordrand van het Gardameer). De Oostenrijkse tegenstand stortte volledig in. Op 3 november vielen Udine en Trente in handen van de Italianen….. De Oostenrijkers wilden onderhandelen over vrede.

Italië overwint (tegen (een te hoge) prijs)
Italië had de strijd tegen de Oostenrijkse en de Duitse troepen uiteindelijk weten te winnen. Dit had echter wel enorm veel moeite gekost. 600.000 Italianen waren gesneuveld en nog eens 1,5 miljoen soldaten waren gewond geraakt. Ook waren 600.000 soldaten door de vijand krijgsgevangen gemaakt.

Door de oorlogskosten had Italië nu een staatsschuld van 60 miljard lire. Het land was als het ware bankroet. En het ergste moest nog komen: de beloofde gebiedsuitbreiding voor Italië zou er voor het grootste gedeelte niet komen. Ook kon de Italiaanse regering haar beloftes aan de arbeiders niet waar maken. De landarbeiders kregen geen eigen land. De honderdduizenden soldaten die terugkeerden konden voor het grootste gedeelte geen werk vinden. Dit zorgde voor extra onrust.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 14:54

ITALIË 1919-1922: JAREN VAN CHAOS, GEWELD EN ECONOMISCHE CRISIS.

Italië 1919: jaar van teleurstelling, woede en chaos.
In 1919 werd er in het Franse Versailles onderhandelt met de verliezers van de oorlog, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Uiteindelijk werd het verdrag van Versailles gesloten. Oostenrijk-Hongarije werd opgedeeld in een aantal zelfstandige landen(Bulgarije, Tsjechoslowakije, Yoegoslavië, Albanië). Ook Duitsland raakte veel gebied kwijt en mocht geen groot leger meer hebben. De Italianen kregen te horen dat ze niet alle beloofde gebieden zouden krijgen.Ze kregen slechts Zuid-Tirol en Istrië. De rest van de irrendenta(Italiaanse gebieden buiten Italië) bleven in vreemde handen.

Economisch gezien betekende het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije een economische ramp voor Italië. Voor de oorlog was dit namelijk de voornaamste exportmarkt. De nieuwe staten hadden veel opstartproblemen en kochten minder Italiaanse producten.

Ook bij de verdeling van de Duitse koloniën in Afrika bleef Italië met lege handen achter. Italië bleef achter met een kater, tot haar oren in de schulden. De lire verloor de helft van haar waarde. De uitgaven van de staat waren in 1919 driemaal zo hoog als in de inkomsten. De situatie zag er hulpeloos uit.

De landarbeiders waren de beloftes van regering tijdens de oorlog niet vergeten. Ze eisten land. Toen dat niet kwam sloten veel arbeiders zich aan bij de socialistische vakbonden.

Andere ex-soldaten, met name de Arditi konden niet meer wennen in de saaie burgermaatschappij. Tijdens de oorlog hadden ze status, goede voeding en kameraadschap leren kennen. Zij sloten zich aan bij de nieuwe beweging van Mussolini, de fascio di combattimento(= strijdbroeders) waarover later meer.

In 1919 was het aantal leden van communistische en socialistische vakbonden gestegen tot boven de 2 miljoen. De socialisten radicaliseerden en wilden net zoals de communisten een staat naar Sovjetmodel waarbij alle bezit in handen zou komen van de staat. Om dit te kunnen bereiken legden ze het land plat door een eindeloze reeks stakingen en betogingen. Fabrieken werden bezet om hoger loon af te dwingen. De productie kwam volledig stil te liggen.
De bourgeoisie van fabrikanten en grootbezitters zocht wanhopig naar iemand of iets die de onrust kon stoppen. Ook de middenklasse(=de winkeliers) was de onrust zat. De Italiaanse regering die bestond uit katholieken en socialisten(die sympathie hadden voor de stakers) was verdeeld en deed niks om de fabrikanten, grootgrondbezitters en middenstand te helpen. Het land was stuurloos.

Italiaanse nationalistische (= houden en opkomen voor je land) ex-soldaten onder leiding van de schrijver, dichter en soldaat Gabriele D’Annunzio hadden na de Eerste Wereldoorlog hun wapens behouden. Toen ze hoorden dat Italië de stad Fiume ondanks de beloftes niet zou krijgen besloten ze deze stad, die aan Joegoslavië toegewezen was, maar zelf te bezetten.


Afbeelding

Hij had tijdens de Eerste wereldoorlog gevochten als soldaat. Tijdens de oorlog heeft hij de eerste bombardementen
met vliegtuigen op Oostenrijk uitgevoerd.

Mocht je ooit aan het Gardameer je vakantie doorbrengen, bezoek dan eens het huis van D’Annunzio in Salò waar omheen allerlei dingen zijn opgesteld die D”Annunzio ooit heeft gebruikt waaronder een slagkruiser, auto’s kanonnen, enz..
De Italianen eren hem nog steeds als een held.

Zo gezegd, zo gedaan. D’Annunzio bezette de stad met zijn troepen die veelal hun zwarte Arditi hemd nog droegen en bewapend waren met vuurwapens en een dolk. Elke dag hield hij toespraken in de stad vanaf een balkon en elke dag waren er militaire parades.

D’Annunzio daagde de Italiaanse regering uit. Steeds meer nationalistische Italianen trokken naar Fiume om zich aan te sluiten bij D’Annunzio.

In de stad werden raden opgericht waarin zowel industriëlen als vakbondsleiders zaten. Samen moesten ze sturing geven aan de economie. D’Annunzio regeerde de stad iets meer dan een jaar. Toen was de Italiaanse regering iets sterker geworden en stuurde ze slagschepen om de vrijwilligers van D’Annunzio te verjagen.

Ondertussen waren de fascio di combattimento(= strijdbroeders) oftewel fascisten van Mussolini, een soort knokploegen van ex-soldaten, enorm uitgebreid. Een politiek programma had Mussolini niet. Hij wilde allereerst een einde maken aan de chaos in het land waar hij de socialisten voor verantwoordelijk achtte. Het woord fascist is afkomstig van het woord fasces: Dit waren takkenbundels met bijlen erin die voor bestuurders van het Romeinse Rijk uit gedragen werden als teken van hun macht.

Italië 1920-1921: de economie komt bijna tot stilstand, de socialisten falen en de fascisten krijgen steeds meer macht en invloed.
De socialistische regering van Italië had haar macht gebruikt om de grootgrondbezitters te dwingen de landarbeiders een heel jaar in dienst te houden, dus ook in de winter wanneer er geen werk voor hen was. Ook was hun loon bij wet verhoogd en hun werkomstandigheden verbeterd. De grootgrondbezitters die voor de oorlog veel geld hadden gestoken in het droogleggen van moerassen werden op deze manier financieel uitgekleed. Ook werd er vaak door de loonarbeiders gestaakt. De regering trad hier niet tegen op. De grootgrondbezitters waren wanhopig en riepen de hulp in van de fascio di combattimento van Mussolini.

De in zwarte hemden geklede fascio di combattimento(ook wel zwarthemden genoemd) organiseerden nachtelijke krijgstochten om de arbeidsbureau’s en kantoren van de socialistische partij in brand te steken. Socialisten werden in elkaar geslagen en moesten een grote hoeveelheid wonderolie opdrinken. Sommige socialisten overleefden dit niet.

Maar de fascisten gebruikten op het platteland niet alleen maar geweld. Ze gaven een deel van de landarbeiders wat ze het liefst wilden: land. De grond werd beschikbaar gesteld door enkele vooruitziende grootgrondbezitters. Hierdoor konden de fascisten veel landarbeiders overhalen om uit de socialistische vakbonden te stappen. Ze hoopten namelijk eigen grond te krijgen door zich aan te sluiten bij de fascisten.

Ook de fabrieken in Noord-Italië werden door bezettingsacties en stakingen van de socialisten volledig lamgelegd. Ook de fabrieksdirecteuren zochten steun bij de fascisten. Door de landurige stakingen stegen de prijzen met 600%. De acties veroorzaakten dus eigenlijk alleen maar meer ellende. Een gedeelte van de fabrieksarbeiders besefte dat het zo niet langer kon doorgaan en sloot zich aan bij de fascisten.

Langzaam maar zeker namen de fascisten in sommige plattelandsgebieden en steden steeds meer de rol over van de regering. Ze regelden de economie, zorgden voor werk door publieke werken(aanleg wegen, droogleggen moerassen, enz), en handhaafden de orde door het gebruik van geweld. De plaatselijke politie en legercommandanten sloten zich vaak aan bij de fascisten omdat ze de wanorde die door de socialisten veroorzaakt werd, meer dan zat waren.

Door het succes van de fascio’s di combattimento werd het fascisme in december 1920 een politieke stroming door de oprichting van de PNF: Partito Nazionale Fascista(Nationale Fascistische Partij).

Een echt programma had de PNF toen nog niet. De partij was extreem nationalistisch en verheerlijkte het gebruik van geweld om problemen op te lossen. Ook was ze antidemocratisch. Volgens de fascisten werkte de democratie niet. Er werd alleen maar gepraat over problemen. Er gebeurde weinig om de problemen op te lossen. Hierdoor voelde vooral de jeugd zich sterkt aangetrokken tot het fascisme. Ook vonden de fascisten dat de democratie teveel de belangen van de heersende klasse verdedigde.

Ook was de PNF tegen de klassenstrijd(de strijd tussen werkgevers en werknemers die volgens de communisten en radicale socialisten moest lijden tot een revolutie). Zij vonden dat de staat moest optreden als een scheidsrechter die boven deze twee groepen stond. Ook waren ze tegen de internationalisering. Ze wilden eigen producten beschermen tegen goedkopere buitenlandse producten door hoge invoerrechten in te stellen.

Wel lieten ze privé-bezit toe. Ze wilden niet dat alle bedrijven in handen zouden komen van de staat. Vanwege deze redenen en hun sterke anti-internationalisering houding kregen ze veel steun van fabrikanten en grootgrondbezitters.

Italië 1922: De Mars naar Rome, de fascisten nemen de macht over.
In de loop van 1922 liep het optreden van de fascio di combattimento, zoals het plunderen en in brand steken van plaatselijke socialistische hoofdbureaus, krantenkantoren, arbeidsbureaus en huizen van socialistische voormannen, uit op de gewelddadige bezetting van hele steden. De Italiaanse regering trad niet op. Op 3 maart 1922 namen de fascisten Fiume over, in mei Ferrara en Bologna. In de steden waar de fascisten aan de macht waren, begonnen ze met een eigen programma van openbare werken om de werkeloosheid op te lossen. In juli 1922 veroverden de fascisten de meeste steden in Noord-Italië. De opmars ging zo snel dat de hoofdstad Rome bijna wel moest volgen.

In oktober 1922 besloot de leiding van de fascistische partij om een mars op Rome te organiseren om zo de macht over te nemen. Mussolini zelf was er niet gerust op dat de Italiaanse regering zich zou laten afzetten zonder geweld, maar de andere fascistische leiders wisten hem te overtuigen. Het plan was om Rome onder leiding van vier fascistische leiders uit vier richtingen te naderen:

1. Een groep onder leiding van Italo Balbo:
Italo Balbo stond symbool voor het jonge, energieke, radicale fascisme. Hij was zeer geliefd bij de Italiaanse jeugd als voorbeeldfiguur. Hij bezat een universitaire opleiding.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij gevochten bij de Alpenjagers(Alpinisti). Door zijn dapperheid kreeg hij verschillende medailles. Hij werd tijdens de oorlog bevorderd tot kapitein. Na de oorlog sloot hij zich aan bij de Fascisten van Ferrara. Hij werd hier leider en gebruikte grof geweld om de socialistische partij te vernietigen. Na de machtsovername van de fascisten werd Italo Balbo verantwoordelijk voor de luchtvaart. Hij boekte grote sucessen. In de jaren ’20 vlogen zijn vliegers voor het eerst non-stop naar New York.

2. Een groep onder leiding van generaal Emilio de Bono:
Emilio di Bono had zijn land gediend in verschillende oorlogen waaronder de Eerste Wereldoorlog. In 1915 werd hij commandant van het 15de regiment 'Bersaglieri' en in 1918 werd hij commandant van het 9de legerkorps. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd De Bono bevorderd tot luitenant-generaal Na de oorlog werd hij commandant van de Arditi. Hij moest alle oud-strijders aan de fascistische partij binden. Na de machtsovername van de fascisten werd hij senator en politiechef.

3. Een groep onder leiding van Michele Bianchi:
Michele Bianchi had rechten gestudeerd aan de universiteit van rome. Net als Mussolini was hij voor de Eerste wereldoorlog een vurig socialist. Hij werd vakbondsleider.
Ook hij wilde dat Italië zou meedoen met de Eerste wereldoorlog.

Na de oorlog sloot hij zich aan bij de fascisten toen bleek dat de socialisten alleen maar bleven staken en geen enkel plan hadden voor een toekomstig Italië wat wel zou kunnen functioneren. Hij moest vooral de arbeiders winnen voor de PNF. Na de machtsovername werd hij secretaris van buitenlandse zaken.

4. Een groep onder leiding van Cesare de Vecchi:
Cesare de Vecchi was familie van de Italiaanse koning Victor Emanuel III. Hij moest de koningsgezinden en de adel winnen voor de PNF.

Mussolini gebruikte de Vecchi om de koning onder druk te zetten. Deze was namelijk doodsbang dat Mussolini de Vecchi op de troon van Italië zou zetten als hij niet genoeg meewerkte met de fascisten.

Mussolini zelf deed niet mee aan de mars. Hij bleef achter in het veilige Milaan in Noord-Italië. Van hieruit probeerde hij tot een politieke deal te komen met de koning en de Italiaanse regering.

De regering van katholieken en socialisten was sterk verdeeld. Toch deed premier Facta een poging om de fascisten tegen te houden.Hij had extra troepen naar Rome laten brengen en het spoorwegpersoneel en de politie had de opdracht gekregen om de fascisten buiten Rome tegen te houden. Het enige wat hij nu nog nodig had was een handtekening van de koning om de staat van beleg af te kunnen kondigen.

Op het allerlaatste moment haakte koning Victor Emanuel III af. Hij besloot de het document voor de staat van beleg niet te tekenen. Hij weigerde de gereedstaande troepen in te zetten tegen de duizenden fascisten buiten de stad. De koning was bang(terecht) dat een gedeelte van de troepen zou overlopen naar de fascisten en dat het tot een burgeroorlog zou komen. Ook was hij bang zijn troon te verliezen.

Op 30 oktober 1922 kreeg Mussolini van de koning het premierschap aangeboden.

Op 31 oktober 1922 marcheerden duizenden fascisten door de straten van Rome waar ze enige bloedige conflicten uitlokten met de socialisten.

Nog dezelfde avond liet Mussolini zijn zwarthemden met 50 speciale treinen de stad uitvoeren om ze zo kwijt te raken en de rust te herstellen. De machtsovername van de fascisten, de fascistische revolutie, was vrij vredig verlopen, uitgezonderd de uitgelokte incidenten. Geen enkele fascist was bij de inname van Rome gesneuveld.

Het feit dat er geen strijd geleverd was voor de inname van Rome zat de fascisten, die veel nadruk legden op actief optreden en het gebruik van geweld, dwars. In de jaren die volgden deed de fascistische regering er alles aan om de geschiedenis te vervalsen. Elk jaar werd de machtsovername gevierd met een feest wat vier dagen duurde. Zelfs de jaartelling werd aangepast. In de fascistische jaartelling werd het jaar 1922 jaar 1, 1923 jaar 2, enz.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 14:59

DE BEGINJAREN VAN DE FASCISTISCHE HEERSCHAPPIJ(1922-1924).
Mussolini was in de beginjaren van zijn bewind erg gematigd. Hij wist dat hij en de fascistische partij eerst nog verder moesten doordringen in de bureaucratie(de ambtenaren), de politie en het leger om er zeker van te zijn dat er geen opstand zou plaatsvinden tegen zijn regering. Hij wist dat hij de conservatieven, met wie hij samen regeerde, te vriend moest houden omdat zij nog steeds veel invloed hadden in bureaucratie, politie en leger. Mussolini wilde rust en orde in het land en zat eigenlijk met de radicale fascio di combattimento in zijn maag. Zij bleven bloedige aanvallen plegen op tegenstanders en ze dreigden met een “tweede revolutie”. Ze vonden het bewind van Mussolini veel te gematigd. Mussolini deed er alles aan om de fascio’s in bedwang te houden. Al snel bleek dat hij in deze beginjaren een kundig staatsman was.

Het eerste wat hij deed was het invoeren van de achturige werkdag. Dit was uniek in Europa. Met deze maatregel nam hij de socialisten de wind uit de zeilen.
De ingeslapen ambtenaren kregen de schrik van hun leven: Mussolini zorgde ervoor dat ze aan het werk gingen door een systeem van controleurs in te voeren die de werkzaamheden van de ambtenaren controleerden.

Het grootste en meest zichtbare succes was zijn aanpak van de grootste ergernis van de Italianen: de nationale spoorwegmaatschappij, Trenno d’Italia. Deze maatschappij presteerde het ervoor te zorgen dat er bijna geen enkele trein op tijd reed. Vaak kwamen treinen meer dan een uur te laat binnen omdat het personeel op de trein dronken was, geen zin had, enz. Mussolini heeft persoonlijk een dronken machinist uit een trein laten halen en zorgde ervoor dat er op elke trein fascisten meereden die ervoor zorgden dat het personeel zijn werk goed deed. Vanaf toen reden alle treinen op tijd.

Ook de tekorten op de staatsbegroting verdwenen grotendeels door goed economisch beleid. Zelfs zijn politieke tegenstanders werden nu met rust gelaten. Ze konden zeggen wat ze wilden, kranten uitbrengen, enz. De sociale onrust in Italië verdween als sneeuw voor de zon.

Ondertussen was de sluwe Mussolini echter achter de schermen druk in de weer met de volledige fascistisering van Italië. Hij deed dit heel geleidelijk om onrust te voorkomen:

1:
In december 1922 was “De grote Raad van het fascisme” opgericht. In de loop van de
jaren die volgden zou deze raad de regering steeds meer gaan vervangen.

2:
In 1923 werd er een eigen partijleger opgericht, de Milizia. Mussolini deed dit om twee redenen:
A: Mocht er ooit een conflict ontstaan met het leger dan had hij een eigen gewapende macht
tot zijn beschikking om in te zetten tegen het leger.
B: Mussolini liet de Fasio di combattimento opnemen in de Milizia. Hier kwamen ze onder
streng partijtoezicht te staan waardoor de kans op een opstand van binnenuit zou afnemen.
Ook verloren de plaatselijke leiders van de fascio’s op deze manier hun macht.

3:
Er werd een fascistische jeugdbeweging opgericht, de Balilla. Balilla was een kleine jongen die in 1746 te Genua met het werpen van een steen het signaal had gegeven tot een opstand tegen de Oostenrijkse bezetters.

In deze jeugdbeweging leerde de jeugd dat het belangrijk was om van je land te houden(nationalisme). Ook kregen ze een soort militaire dril. Ze leerden marcheren, schieten, enz.

4:
Eind 1923 kwam er een nieuwe kieswet en nieuwe verkiezingen. Tijdens deze verkiezingen werden kiezers zoals vanouds door de fascisten geïntimideerd. De fascisten kregen ¾ van de zetels in het parlement in handen. Mussolini kon nu eigenlijk alleen regeren. Om de democratische schijn op te houden nam hij twee socialisten, waaronder de socialist Matteotti, op in zijn nieuwe regering. Hier zou hij nog spijt van krijgen………

Matteotti viel de fascisten in het parlement rechtstreeks aan. Hij stelde dat de verkiezingen niet geldig waren omdat de fascisten ze met geweld hadden beïnvloed. Ook beschuldigde hij de fascistische militie die volgens hem als enige taak had de zittende regering met geweld te steunen.

Tien dagen na zijn rede werd Matteotti door 5 mannen ontvoerd en vermoord. Omstanders konden het nummerbord opschrijven en doorgeven aan de politie. De politie arresteerde 5 fascisten.

Er ontstond heftige verontwaardiging over de moord in Italië. Men wees met de beschuldigende vinger naar Mussolini. Tot op de dag van vandaag weten we niet zeker of hij van tevoren van deze moordpoging afwist of hiertoe opdracht heeft gegeven.

De oppositie weigerde nog langer deel te nemen aan het parlement. Eerst moesten de schuldigen van de moord gestraft worden. Ook de meeste kranten schreven ineens felle artikelen tegen de fascisten. Elke dag werd Mussolini buiten het parlementsgebouw opgewacht door honderden zwijgende mensen. Mussolini dacht aan aftreden…..

In november 1924 herstelde Mussolini zich. De radicale vleugel van zijn partij drong er bij hem op aan om handelend op te treden om de tegenstanders van de fascisten uit te schakelen.
Ook de Italiaanse koning en de conservatieven bleven hem ondanks alles steunen. Ze waren bang dat Italië anders in handen zou komen van de socialisten.

Ook de kerk, die in het streng katholieke Italië veel gezag had, bleef hem steunen omdat veel socialisten tegen godsdienst waren en het geloof wilden afschaffen.

NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 19:40

ITALIË WORDT EEN DICTATUUR EN LANGZAAM MAAR ZEKER EEN TOTALITAIRE STAAT(1925-1929)
Op 3 januari 1925 schafte Mussolini de democratie af. Italië moest een totale dictatuur worden. De radicale fascist Farinacci kreeg opdracht om hiervoor te zorgen. Hij nam meteen een aantal vergaande maatregelen:

1. De oppositie werd ontbonden
2. Vrije verkiezingen werden afgeschaft
3. Er werd een stakingsverbod ingevoerd
4. Alle kranten kwamen in fascistische handen.
5. Het fascistische lied Giovinezza verving vanaf nu het volkslied
6: Mussolini werd de “duce”(=leider) die onvoorwaardelijk gehoorzaamd moest worden

De fascistische minister van justitie, Alfredo Rocco, was één van de “denkers” van het fascisme. Hij probeerde het fascisme en haar doelen te omschrijven.

Volgens hem was het fascisme een definitieve breuk met de democratie, het liberalisme en het socialisme.Volgens het fascisme staat het individu in dienst van de samenleving, en niet omgekeerd. De staat moet zeer krachtig en machtig zijn, er is geen plaats voor oppositie. Zijn bekendste uitspraak over dit thema is: “alles door de staat, niets buiten de staat, niets tegen de staat”. Volgens de fascisten moest de staat geleid worden door “de beste der volksgenoten”.

Rocco kwam ook met een plan om de economie anders aan te sturen. Hij wilde een korporatisch stelsel: de economie werd verdeeld in 7 onderdelen. Per onderdeel moest er een overlegorgaan komen waarin werknemers, werkgevers en de Italiaanse staat zitting hadden. Ze moesten eventuele conflicten in harmonie oplossen. De vertegenwoordigers van de staat fungeerden als scheidsrechters.

De verschillende klassen(arbeiders, industriëlen, ambtenaren) moesten samenwerken in plaats van elkaar bestrijden. Ook de nadelen van teveel kapitalisme konden op deze manier worden aangepakt. Op deze wijze werd het fascisme “een derde weg”
tussen democratie en communisme.

.Door de invoering van het korporatisch stelsel werden werkgevers en werknemers voor de wet gelijkgesteld. De positie van de arbeiders werd verder verbeterd om opstanden en onrust te voorkomen: nachtarbeid werd beter betaald als dagarbeid, tijdens de vakantie werd de werknemer doorbetaald, bij ontslag buiten de schuld van de werknemer moet er een schadevergoeding worden betaald en er kwam een ziektekosten en werkloosheidsverzekering.

In de praktijk bleven de werkgevers echter machtiger. De lonen werden met hulp van de regering relatief laag gehouden. Toch steeg de koopkracht van de Italianen omdat de regering met een actieve economische politiek grote prijsstijgingen wist te voorkomen.

Door de actieve overheidspolitiek wist Mussolini grote economische successen te boeken.
Hij liet op grote schaal woeste grond en moerassen ontginnen. Hierdoor ontstond extra landbouwgrond. Mussolini noemde dit battaglia del Grano(=de slag om het graan).

Italië moest een vrij groot gedeelte van zijn graan in het buitenland inkopen. Dit kostte het land veel geld en maakte het afhankelijk. Door het creëren van de nieuwe landbouwgrond slaagde Mussolini erin het land zelfvoorzienend te maken voor wat betreft graan. Niet langer hoefde Italië graan te importeren.

Mussolini verbood staatsbedrijven buitenlandse producten aan te kopen als er een goed Italiaans alternatief voor handen was. Als de politie bijvoorbeeld vrachtwagens nodig had moesten ze Lancia of Fiat vrachtwagens kopen en geen buitenlands merk. Ook particuliere firma’s werden aangemoedigd Italiaanse producten te kopen. Tegelijkertijd werd de export bevorderd door bedrijven speciale tarieven te bieden als ze gebruik maakten van de Italiaanse spoorwegen.

Het wegennet werd enorm uigebreid en verbeterd. Dit bezorgde veel mensen werk. De energievoorziening werd verbeterd en goedkoper door de aanleg van waterkrachtcentrales in de bergen.

Op sociaal en cultureel gebied deden de fascisten er alles aan om de arbeiders voor zich te winnen. We hebben al gezien dat ze voor wet gelijkgesteld werden aan de werkgevers. Maar waar de fascisten echt hun grootste winst boekten was het privé-domein van de burgers. De jeugd werd al dan niet verplicht lid van fascistische jeugdorganisaties en sportverenigingen kwamen onder fascistisch toezicht.

Verder waren er in alle steden massabijeenkomsten en feesten om de populariteit van de fascisten onder de bevolking te vergroten.
Maar zijn grootste succes boekte Musssolini in februari 1929. Toen slaagde hij erin de Italiaanse staat te verzoenen met de nog altijd machtige katholieke kerk. Hij sloot met de katholieke kerk het Verdrag van Lateranen.

Door dit verdrag kreeg de kerk een schadevergoeding van de Italiaanse staat voor al haar verloren gegane gebieden.

Ook erkende Mussolini dat het katholieke geloof “het geloof van de meeste Italianen” was. De kerk kreeg een klein zelfstandig gebied in Rome, Vaticaanstad. De katholieke organisaties werden door de fascisten met rust gelaten. In ruil hiervoor erkende de kerk het fascisme als de leidende politieke beweging in Italië.

NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 19:44

ITALIË EN DE ECONOMISCHE CRISIS, 1929-1935.
Op 24 oktober 1929 begon de economische wereldcrisis in de Verenigde Staten. Dit had ook gevolgen voor Italië omdat het land veel geld geleend had bij Amerikaanse banken. Deze banken dreigden failliet te gaan en eisten het geld per direct terug.

Oorzaak.
In de Verenigde Staten van Amerika ging het tussen 1920 en 1928 goed met de economie. De bedrijven verdienden veel geld en er was veel handel. Amerika maakte als eerste land auto´s en verkocht die aan het buitenland. Grote bedrijven geven vaak aandelen uit. Dat zijn papiertjes die geld waard zijn en waarmee je eigenlijk een beetje eigenaar wordt van het bedrijf.

Als het goed gaat met een bedrijf, dan zijn die aandelen veel geld waard. Toen het dus goed ging met de bedrijven in Amerika, kochten veel mensen aandelen. Maar in oktober 1929 ging het niet zo goed meer met de economie en iedereen wilde zo snel mogelijk zijn of haar aandelen verkopen.

Mensen wilden geen eigenaar meer zijn van een bedrijf dat verlies draaide. De aandelen die eerst veel geld waard waren, waren nu bijna niks meer waard. Donderdag 24 oktober 1929 was de ergste dag, het ging helemaal mis. Deze dag wordt daarom ook wel Zwarte Donderdag (Black Thursday) genoemd.

Black Thursday.
Op deze donderdag in 1929 wilde iedereen zijn aandelen kwijt. Want die aandelen waren helemaal niks meer waard.

Als je dus veel aandelen had, was je eigenlijk in één klap een stuk armer geworden. Mensen gingen failliet, ze waren helemaal blut. Sommige mensen hebben op die dag zelfs zelfmoord gepleegd, omdat ze het helemaal niet meer zagen zitten.

Gevolgen van de economische wereldcrisis voor Italië:

1. De export van goederen stortte volledig in:

De belangrijkste exportlanden van Italië waren Oostenrijk en Duitsland. Deze landen waren goed voor 65% van de Italiaanse export. De Duitse economie deed het tot 1929 uitstekend maar was gebouwd op geleend Amerikaans geld. Toen de Amerikanen dit geld na oktober 1929 terugeisten stortte de economie in elkaar. Er ontstond hyperinflatie in Duitsland, het Duitse geld was niks meer waard. Hierdoor raken veel Italiaanse industriearbeiders werkeloos

2. Ook Italië moet geleend Amerikaans geld terugbetalen:

Italië had naar verhouding met Duitsland weinig geleend. Maar door de plotselinge terugbetaling van het geld kwamen verschillende projecten van de Italiaanse regering stil te liggen. Men moest op zoek naar nieuwe geldschieters in binnen- en buitenland.

3. De handelsbalans van Italië wordt negatief:

Omdat Italië bijna geen grondstoffen had moest het deze grondstoffen, vooral kolen, staal en olie, importeren vanuit het buitenland. Door het terugvallen van de export kreeg Italië minder geld binnen dan dat het uitgaf. Er was maar één oplossing: meer geld lenen. Hierdoor verloor de Italiaanse munt, de lira, een gedeelte van haar waarde.


De aanpak van de economische crisis door Mussolini.
Net als andere regeringsleiders zat Mussolini met de crisis in zijn maag. Hij kwam tot de conclusie dat er maar één ding opzat: de staat moest krachtig ingrijpen in de economie om de problemen op te lossen.

Mussolini begon een indrukwekkend programma van openbare werken om de Italianen aan het werk te houden. Er werden nog meer wegen aangelegd(bijvoorbeeld de wegen en tunnels rond het Gardameer), sociale woningen gebouwd, landbouwgrond ontgonnen, enz. Hierdoor bleef de werkeloosheid in Italië relatief laag. Maar dit alles werd betaald door nog meer geld te lenen. Hierdoor steeg de staatsschuld en daalde de Lira verder in waarde.

Mussolini had voor deze problemen geen oplossing. Hij hoopte deze problemen te kunnen oplossen als het weer beter ging met de economie….

Andere landen volgden het Italiaanse voorbeeld. In de VS kwam president Roosevelt met “The New Deal”, een programma van openbare werken. Later zou Hitler in Duitsland de werkeloosheid oplossen door hetzelfde te doen: openbare werken uitvoeren zonder dat je daar het geld voor hebt.

NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 19:48

DE RADICALISERING VAN HET FASCISME: DE OORLOG IN ABBESSINIË(HUIDIGE ETHIOPIË) 1935-1936.

Het verloop van de oorlog.

In de jaren ’30 begon Mussolini met de verjonging van zijn partij. Deze jonge fascisten waren radicaal. Ze wilden actie. Mussolini was hier niet ongevoelig voor. Mede onder invloed van de economische crisis begon hij met een uitgebreide herbewapening. Hij voorspelde dat de 20ste eeuw “de eeuw van het fascisme” zou worden. Het buitenland werd ongerust.

In tijden van economische crisis is het hebben van een buitenlandse vijand voor machthebbers erg handig om de aandacht af te lijden van andere (binnenlandse) problemen. In 1934 besloot Mussolini in het diepste geheim om Abessinië(het huidige Ethiopië) binnen te vallen. De Italianen hadden nog een rekening te vereffenen met dit land. In 1896 was een veel sterker Italiaans leger verslagen door de Abessijnen. Mussolini wilde als wraak het land bezetten. In december 1934 vond er een klein militair treffen plaats bij Wal Wal. Dit gaf Mussolini het excuus om Abessinië binnen te vallen.

Op 3 oktober 1935 viel Italië vanuit Somalië en Eritrea met een strijdmacht van ongeveer 500.000 man Abessinië binnen. Binnen enkele weken veroverde het leger onder bevel van Generaal Emilio De Bono (1866-1944) de plaatsen Adigrat, Adwa, Aksum en Mekele.

Hoewel de "internationale gemeenschap" diep verontwaardigd was over het Italiaanse optreden, Italië in de Volkenbond werd veroordeeld, en er een handelsboycot tegen Italië werd gelast, besloten Engeland en Frankrijk zich afzijdig te houden. Ook Duitsland liet Italië zijn gang gaan. Italië zei "te vechten voor de beschaving", ook al omdat volgens een rapport van de Volkenbond de slavernij in Ethiopië nog altijd niet was afgeschaft.

In de eerste weken van april werd de Ethiopische tegenstand gebroken; op 5 mei bezette het Italiaanse leger de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. Enkele dagen daarvoor was Haile Selassie het land uit gevlucht via Palestina naar Londen. Op 9 mei verkondigde de Italiaanse Duce, de oprichting van Italiaans Oost Afrika (Africa Orientale Italiana, AOI), met de Italiaanse koning Victor Emanuel III als keizer en generaal Pietro Badoglio als onderkoning. Al binnen twee weken werd hij vervangen door generaal Rodolfo Graziani. De verovering van Ethiopië was uiterst gewelddadig: met hun superieure luchtmacht bombardeerden de Italianen steden en dorpen, ook met gifgas.

Meer dan 300.000 mensen verloren daarbij het leven. De dramatische oproep van Haile Selassie voor de Volkenbond in Genève, om het Italiaanse gezag over zijn rijk niet te erkennen, vond nauwelijks gehoor.

De reactie van de Italiaanse bevolking op de Abessijnse oorlog.
De Italiaanse bevolking was enthousiast over de oorlog tegen Abessinië. Het grootste gedeelte van de bevolking vond namelijk dat Italië recht had op een koloniaal rijk omdat het zelf te weinig grondstoffen bezat.

Toen de Volkenbond(= soort VN) sancties(=het niet leveren van goederen zoals olie, ijzererts, enz) afkondigde tegen Italië waren de Italianen furieus. Ze vonden de reactie van de Volkenbond, en met name van de landen Frankrijk en Engeland, die zelf reeds een enorm koloniaal rijk bezaten, schijnheilig. De bevolking stond als één man achter Mussolini. De fascistische regering maakte hier dankbaar gebruik van.

Ze organiseerden de actie Oro alla Patria(=goud voor het vaderland). Bij deze door de fascisten georganiseerde actie leverden Italiaanse vrouwen, waaronder koningin Elena hun gouden trouwringen in om de veldtocht in Abessinië te helpen betalen.

Tijdens de oorlog werden in Italië Fascistische gewoontes ingevoerd: niet langer werd iemand aangesproken met lei(u) maar met tu(jij). De Fascistische groet ging het handen schudden steeds meer vervangen. Ambtenaren kregen uniformen

Je zou kunnen zeggen dat de oorlog de ingeslapen Fascistische partij een nieuwe impuls gaf. De partij radicaliseerde en keerde terug naar haar gewelddadige wortels. De Italiaanse samenleving militariseerde in hoog tempo. Ook de verhoudingen van Italië met het buitenland veranderden enorm.

De Italiaanse buitenlandse politiek verandert door de Abessijnse oorlog.
Voor 1935 was het Fascistische Italië niet bevriend met Nazi-Duitsland. Sterker nog: Mussolini had aanvankelijk een bloedhekel aan Hitler. Hij zag Hitler als een zonderling en moest niets hebben van diens antisemitisme(jodenhaat) en rassentheorie.

Op 4 juni 1934 ontmoeten de twee elkaar voor het eerst in het Italiaanse Stresa. Naast de opgesmukte Mussolini zag Hitler, in zijn eenvoudige regenjas, eruit als een zwerver. Hitler was overdonderd door de Italiaanse pracht en praal.

Toen Oostenrijk eind juli 1934 een Nazi-regering dreigde te krijgen stuurde Mussolini meteen enkele divisies Alpenjagers naar de grens. Hij waarschuwde Duitsland dat hij Oostenrijk militair te hulp zou komen als Duitsland het in zijn hoofd zou halen het land binnen te vallen.

Italië was bang voor het opkomende Duitsland. Het wilde Oostenrijk als een bufferstaat behouden tegen het agressieve germanisme van Hitler. Mussolini was bang voor een opstand van de 300.000 Duitsers die in de Italiaanse grensgebieden woonden wanneer de Nazi’s Oostenrijk zouden inlijven bij Duitsland.

Hitler wilde kost wat kost betere relaties met Italië. Zijn kans kwam toen Frankrijk en Engeland in 1936 voor sancties tegen Italië stemden. Hitler erkende meteen de veroveringen van Mussolini in Abessinië.

Op 21 oktober 1936 ondertekenden Duitsland en Italië een geheim samenwerkingsverdrag.
In september 1937 bezocht Mussolini Berlijn. Mussolini was onder de indruk van wat hij te zien kreeg. Het hoogtepunt van het bezoek was een plechtigheid in Berlijn waar Mussolini en Hitler een menigte van 900.000 Duitsers toespraken. Mussolini hield zijn rede in het Duits. De menigte was superenthousiast.

Mussolini keerde vol enthousiasme terug naar Rome. Hij besefte niet dat de versterking van de banden met Duitsland het einde van het fascistische Italië zou betekenen. De schaduw van het bloeddorstige en roofzuchtige Duitsland was over Italië gevallen……

Reacties en gevolgen van het bondgenootschap met Duitsland in Italië.
Veel leden van de Fascistische partij waren niet blij met Duitsland als bondgenoot. Ze waren bezorg over de ware bedoelingen van Duitsland en vreesden dat Duitsland ook de macht in het Middellandse zeegebied zou willen overnemen. Het aanzien van Italië in de wereld daalde in 1938 tot een dieptepunt toen Hitler Oostenrijk binnenviel en Mussolini niet ingreep.

Vanaf dat moment waren Duitsland en Italië tot elkaar veroordeeld. Frankrijk en Engeland wilden niks meer met Italië te maken hebben.
Begin mei 1938 bezocht Hitler Italië. Mussolini had er alles aan gedaan om grote indruk te maken op de Duitse gasten. Heel Rome was versierd en enthousiaste mensen stonden langs de route.

Italië kwam steeds meer in de greep van Duitsland. In de zomer van 1938 werden er anti-joodse maatregelen genomen. Deze wetten werden echter niet nageleefd of gecontroleerd.
De Joden konden gewoon een normaal leven blijven leven in Italië

Toen een Fascistische geleerde bij Mussolini kwam klagen over de anti-joodse maatregelen zei deze: “ik geloof in het geheel niet in de stomme antisemitische theorie. Ik voer mijn politiek uitsluitend om politieke redenen.”

In 1939 sloten Duitsland en Italië een militair bondgenootschap waarin ze beloofden elkaar te hulp te komen in geval van oorlog. Het Italiaanse leger was echter nog lang niet klaar voor een langdurige oorlog. Adviseurs waarschuwden Mussolini dat de modernisering van het leger pas in 1943 voltooid zou zijn.

NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 20:05

ITALIE TIJDENS DE TWEEDE WERELDOORLOG(1939-1945).

Italië blijft neutraal(september 1939- juni 1940).

Op 3 september brak de Tweede Wereldoorlog uit omdat Engeland en Frankrijk Duitsland de oorlog verklaarden na Hitlers aanval op Polen. Door het bondgenootschap dat Italië had met Duitsland moesten de Italianen Duitsland eigenlijk te hulp komen. Maar de Italiaanse minister van buitenlandse zaken Ciano(schoonzoon Mussolini) kon Mussolini ervan overtuigen buiten de oorlog te blijven omdat Italië niet voorbereid was. Volgens zijn militaire adviseurs zou het duren tot 1943 voor het Italiaanse leger klaar was voor de strijd.

Italië neemt deel aan de oorlog(juni 1940 – 1943)
Maar toen de Duitsers in mei 1940 over de Nederlanders, Belgen en Fransen heenwalsten wilde Mussolini meedoen met de oorlog omdat hij er bijna zeker van was dat Duitsland de oorlog zou winnen. Op 10 juni 1940, toen Frankrijk bijna verslagen was, verklaarde hij Frankrijk en Engeland de oorlog.

De Italiaanse bevolking was niet erg enthousiast. De Italiaanse troepen slaagden er niet in om door de Franse verdediging in de Alpen heen te komen. Daardoor kreeg Mussolini maar een klein gedeelte van de Franse buit.

De oorlog tegen Griekenland.
In oktober 1940 was Mussolini zo dom om Griekenland aan te vallen. Hij had de kracht van de Grieken enorm onderschat. Mussolini schatte de sterkte van het Griekse leger op 30.000 man, in werkelijkheid was het 300.000 man. De Grieken schopten de Italianen binnen de kortste keren uit hun land en drongen de Italianen terug in Albanië.

Hitler was niet blij. Hij was bezig met de voorbereidingen van de aanval op de SU. Nu moest het Duitse leger de Italianen te hulp komen. Dit betekende een uitstel van drie maanden van de invasie van de SU.
Op 23 april 1941 versloegen de Duitsers en Italianen de Grieken die steun kregen van een klein Engels expeditieleger. Griekenland en buurland Joegoslavië werden bezet door Duitse en Italiaanse troepen.

De oorlog in Afrika 1940-1942.
Ook hier waren de Italianen op 13 september 1940 in de aanval gegaan tegen de Engelsen. Onder leiding van maarschalk Graziani vielen de Italianen Egypte binnen. Binnen enkele dagen stonden de Italianen op 100 km van het Suezkanaal. Maar hier hielden de Italianen drie maanden halt omdat de bevoorrading te wensen overliet. Dit was een domme fout. De Engelsen herstelden zich en dreven de Italianen met een veel kleinere, maar goed bewapende krijgsmacht 800 km terug. Duizenden Italianen (waaronder mijn grootvader) werden krijgsgevangen gemaakt.

In februari 1941 stuurde Hitler de beroemde veldmaarschalk Erwin Rommel met zijn Afrikakorps om de Italianen te helpen. Rommel boekte tot 1942 grote sucessen.

De oorlog op zee.
Ook hier kregen de Italianen rake klappen. Ondanks het feit dat ze een moderne vloot hadden, had deze enige zwakke plekken(geen vliegdekschepen, geen radar).

Engelse torpedovliegtuigen verrasten de Italiaanse vloot bij tarrente en stelden drie slagschepen en twee kruisers buiten gevecht.

Italië wordt een vazalstaat van Duitsland.
Door alle mislukkingen hadden de Italianen niks meer te zeggen. Alle belangrijke beslissingen werden door de Duitsers genomen. Toen de Duitsers Rusland binnenvielen stuurde Mussolini een expeditieleger naar Rusland. Hij had deze troepen beter kunnen gebruiken in Afrika.

De oorlog in Afrika 1942-1943.
Begin juni 1942 zag het ernaar uit dat de Duitsers en Italianen Egypte zouden binnentrekken. De VS was geschrokken door de enorme successen van Rommel en zijn Afrikakorps en stuurde de Britten driehonderd nieuwe Sherman tanks om de Duitsers en Italianen te stoppen.

Ook kreeg het Britse leger twee nieuwe bevelhebbers om het vertrouwen van de soldaten in leiding te herstellen. De nieuwe bevelhebbers waren de generaals Alexander en Montgomerey.

In oktober 1942 kwam het tot een grote veldslag bij El Alamein. De Britten waar veel sterker in manschappen en materieel. Rommels bevoorrading was slecht omdat de Britse marine veel van zijn konvooien vernietigde. De slag liep uit op een Britse overwinning.

Toen de Britten in de tegenaanval gingen concentreerden ze zich op de Italianen, omdat ze wisten dat deze minder goede wapens hadden dan de Duitsers en een slechter moreel.
Maar tot verbazing van de Engelsen en de Duitsers hielden de Italiaanse parachutisten van de “Folgore” divisie en de “Piave” divisie stand. Ondanks een week van Britse aanvallen kwamen ze er niet door.

Ondertussen was de situatie van het Afrikakorps echter zo slecht geworden dat er snel teruggetrokken moest worden. De Duitsers hadden te weinig vrachtwagens om ook de vier Italiaanse divisies mee te nemen. De Italianen werden in de woestijn aan hun lot overgelaten, zonder water, munitie, e.d. Negen Italiaanse generaals en 16.000 soldaten kwamen in Britse gevangenschap. Het in de steek laten van de Italiaanse troepen zette in Italië zelf veel kwaad bloed. Op 13 mei 1943 waren de Duitsers en Italianen volledig verdreven uit Afrika. 275.000 Duitsers en Italianen werden krijgsgevangen gemaakt.

De oorlog in Rusland 1942-1943.
In december 1942 gaat het ook fout in de SU bij Stalingrad. Het Italiaanse 8e leger lag samen met het Roemeense 3e leger buiten Stalingrad om de Duitse flanken te beschermen. De Roemenen sloegen meteen massaal op de vlucht. Het Italiaanse 8e leger moest zich terugtrekken onder de Russische druk. De beste Italiaanse troepen, de alpenjagers, die eigenlijk uitgerust waren met speciale wapens voor de strijd in de bergen, namen het in de toendra op tegen de Russische tanks. Zo gaven ze de rest van het 8e leger de kans om te ontsnappen.
Veel Italianen sneuvelen. Wel wisten ze ten koste van zware verliezen te hulp snellende Duitse troepen te bereiken.

De strijd om Italië 1943-1945

De Strijd om Sicilië 1943:

Op 13 mei 1943 moesten de Duitsers en Italianen de strijd in Noord-Afrika opgeven. De Geallieerden gingen nadenken waar men de volgende landing zou lanceren. Deze landing zou vooral tot doel hebben om een opstapje te creëren voor een landing op het Europese vasteland later op dat jaar. De voordelen voor een landing op Sicilië werden dan nog eens goed op een rijtje gezet, waarvan dit de meest noemenswaardige zijn :

• De geallieerden hadden hun zeevaartroutes in de Middellandse zee veilig gesteld: er zou nu geen lange zeereis nodig zijn rond Kaap de Goede Hoop om naar Egypte en de Stille Oceaan te varen, maar men kon via de kortere route gaan.
• De geallieerden zouden basissen krijgen die dichter bij Duitsland lagen, en zo zou het bombarderen van Duitsland veel vlotter en frequenter kunnen gebeuren.
• En de Duitsers zouden een aanval op de Balkan en heel Italië moeten vrezen. Italië zou zich in dit geval kunnen terugtrekken uit de oorlog. De gaten die hierdoor zouden vallen moesten door Duitse troepen(uit Frankrijk en van het oostfront) worden opgevuld. Dit zou de Duitsers verder verzwakken.

Hierop werd door de geallieerde chefs van Staven besloten om dan over te gaan tot een landing op Sicilië. Althans na rijp beraad, want de keuze was niet zo logisch door het feit dat hier de Amerikanen en de Britten van mening verschilden. De Amerikanen wilden zich vooral concentreren op de invasie op het Europese vasteland in Frankrijk en Italië op de knieën dwingen door middel van luchtbombardementen. De Britten daarentegen, wilden ervoor zorgen dat de Duitsers de gehele zuidkust van Europa zouden moeten verdedigen. Het was dus duidelijk dat de Amerikanen geen operaties meer wilden uitvoeren in het Middellandse Zeegebied, dit lijnrecht tegen het Britse standpunt in, dat het uiteindelijk toch gehaald heeft.
Nu moest er zelfs reeds worden nagedacht over wat er na Sicilië zou komen. Men had twee opties:
• Men kon ofwel de steven richten naar Zuid-Frankrijk door Sardinië en Corsica te veroveren.
• Ofwel kon men ook een landingspoging wagen op de Italiaanse laars.

Hierin kon men echter geen overeenkomst bereiken, en toen loste men het maar voorlopig op door twee afzonderlijke staven aan het werk te zetten : één voor de invasie op het Italiaanse vasteland, en één voor de invasie van Zuid-Frankrijk via Corsica en Sardinië. Nadat deze kwestie althans tijdelijk van de baan was geschoven kon men uiteindelijk aan de operatie beginnen.

De Geallieerden hadden de techniek van de bevoorrading via de stranden nog niet kunnen beproeven en men had in de onmiddellijke nabijheid van de stranden geen grote havens die de capaciteit hadden om te zorgen voor de bevoorrading van de troepen. Er waren wel grote havens aanwezig op het eiland (Messina, Palermo, Catania en Syracuse), maar deze waren enorm verstevigd met kustgeschut en konden onmogelijk genomen worden door een amfibische aanval. Men zou er dus voor moeten kiezen de troepen te bevoorraden via de stranden. De Britten stonden onder leiding van Montgomery en de Amerikanen stonden onder leiding van Patton. Deze twee bevelhebbers mochten elkaar niet. Montgomery was erg voorzichtig en rukte meestal traag op om veel slachtoffers te vermijden. Patton rukte altijd snel op.

De verdedigingsmiddelen van de As-strijdkrachten(Duitsers en Italianen) voor Sicilië:

De vloot.

De sterke Italiaanse vloot lag werkloos in de haven La Spezia, door een brandstoftekort kon er niet uitgevaren worden. Zelfs als Mussolini zou durven om zijn vloot te riskeren, dan zou deze nog een dag nodig hebben om de landingsplaats te bereiken. Nabij Messina lag ook nog een aantal kleine Duitse en Italiaanse schepen.

De luchtmacht.
Deze was reeds gedeeltelijk naar het Italiaanse vasteland overgebracht, een gedeelte was vernietigd op de grond door een verzuim om deze te camoufleren. Het geheel van vliegtuigen in het Middellandse Zeegebied kwam daardoor op een totaal van zo'n 1.000 vliegtuigen.

De landmacht.
Dus zou men moeten rekenen op de landstrijdkrachten voor de verdediging van het eiland. Op de Siciliaanse bodem waren 2 Duitse divisies aanwezig, alles tezamen zo'n 40.000 man. Deze waren zeer goed getraind en konden zelfs gerekend worden tot de elite-eenheden. Het waren de 15de Panzergrenadierdivisie en de Hermann-Göringdivisie.

De Italiaanse strijdkrachten hadden een getalsterkte van zo'n 200.000 man. Deze waren echter verdeeld over een aantal taken (luchtafweer, kustverdediging, reserve, transport). De gevechtseenheden waren onderverdeeld in 4 infanteriedivisies (de Aosta, de Napoli en de Assietta divisie waren niet op volledige sterkte en logistiek niet op orde, enkel de Livorno-divisie was redelijk van alles voorzien). Daarbij konden nog de kustverdedigingsbataljons bijgeteld worden, wat het geheel op een totaal bracht van 8 Italiaanse divisies. Dit bracht het algehele totaal van As-divisies op 10 eenheden van divisieniveau.
Al deze eenheden stonden onder het bevel van het Italiaanse Zesde Leger, de bevelhebber heette Generaal Alfredo Guzzoni.

De Britse plannen.
De Britse landingen vanuit zee zouden gecombineerd worden met landingen van zweefvliegtuigen..
Het gehele Britse plan was gebaseerd op de bijna onmiddellijk verovering van de drie belangrijkste havens via land: Catania, Syracuse en Augusta. Deze havens waren nodig om de bevoorrading van de troepen veilig te stellen. De Amerikanen gingen heel anders te werk.

De Amerikaanse plannen.
Ook de Amerikanen maakten gebruik van de ondersteuning van troepen vanuit de lucht, en in dit geval nog specifieker een dropping van een versterkt regiment van de 82ste luchtlandingsdivisie. De hele Amerikaanse krijgsmacht, het 7de leger, kreeg een duidelijk ondergeschikte rol toegemeten door de order dat zij de flank en achterhoede van de Britten onder leiding van Montgomery moesten dekken. Patton was hier woedend over en wilde zelf de leidende rol bij de invasie spelen. In het hele Amerikaanse landingsgebied was geen haven aanwezig. Alle voorraden van de Amerikanen moesten gelost worden op de stranden. Dit zou kunnen zorgen voor problemen in de bevoorrading van de troepen.

De datum voor de aanval op Sicilië:
Pas na het einde van de Afrikaanse veldtocht werd de datum bepaald. Dit gebeurde voornamelijk door een gunstige samenloop van de stand van de maan (luchtlandingstroepen hebben maanlicht nodig), en volledige duisternis die de marine nodig heeft om de transporten te doen plaatsvinden. Dit kwam goed uit op de nacht van 9 juli. De landing vanuit zee begon om 2.45, terwijl de para's al om iets na middernacht op Sicilië zouden neerkomen.

Goed nieuws voor de verdedigers:
Op de middag van 9 juli was er goed nieuws voor het hoofdkwartier van Guzzoni - algemeen bevelhebber over Sicilië. Het ging namelijk om het feit dat Hitler de 1ste Parachutistendivisie, een Duitse elite-eenheid, vrijgegeven had, wat betekende dat deze indien nodig binnen 5 dagen volledig beschikbaar zou zijn. Uit deze beslissing kon men ook nog opmaken dat men in Duitsland besloten had de verdediging van Sicilië te organiseren, en geen terugtocht wilde inzetten.

De eigenlijke strijd:
Toen Guzzoni op 10 juli, iets na middernacht, vernam van de eerste landingen der parachutisten op het eiland, verdween er een heel deel van de spanning die zich de voorbije weken had opgebouwd. Hij gaf bijna onmiddellijk het bevel tot het vernietigen van de havenhoofden van Gela. Deze parachutistenlandingen waren echter helemaal niet wat de geallieerde generale staf had gedroomd dat ze zouden zijn. De mannen - zowel de Britten als Amerikanen - kwamen zeer verspreid terecht. Een fenomeen dat later nog o.a. bij operatie Overlord(= invasie in Normandië) zou terugkomen. Maar ze groepeerden zich tot kleine groepjes, verbraken verbindingen, bezetten kruispunten, bruggen en wegen, kortom ze zorgden voor een grote verwarring in het door As-troepen bezette achterland.

Aangezien Guzzoni's verdedigende capaciteit niet zo enorm groot was, nam hij een beslissing. Hij zou zijn reserves concentreren op enkele punten, namelijk Syracuse, Gela en Licata, de drie belangrijkste punten voor de verdediging van het eiland bij een aanval van de zuidkant. Aangezien echter de Gruppe Smalz(=een Duitse gevechtsgroep) tezamen met de Napoli divisie bij Syracuse stonden, kreeg de Hermann Göringdivisie het bevel om zich naar de landingen bij Gela te begeven, en de aldaar landende Amerikaanse troepen aan te vallen.
De eerste 2 golven van de Britse troepen profiteerden in hun landingssector van het effect van de verrassing, en liepen de Italiaanse kustverdediging onder de voet. De overige kustbatterijen werden snel het zwijgen opgelegd door de talrijke scheepskanonnen.
Bij andere Amerikaanse landingen hadden de troepen bij Scottigli te kampen met een vertraging van één uur door stormweer, maar de overige twee landingen gebeurden volgens schema. Het aan land komen verliep ook vlot, er was slechts lichte tegenstand van de Italiaanse verdedigers, wel was er vuur van de kustbatterijen, maar dit werd - net zoals bij de Britten - snel tot zwijgen gebracht.

De As-troepen slaan terug (de tegenaanval).
Met de geallieerde troepen nu aan land, wijzigden de prioriteiten van Guzzoni's troepen.
Het oostelijk gedeelte van het eiland moest immers verdedigd worden, aangezien het van cruciaal belang was voor de verdediging van de As. Hiervoor waren 3 doelstellingen te bereiken:
• De vijand tegenhouden om de versterkingen de kans te geven om te arriveren
• De vijand indien mogelijk terug te drijven in de zee
• Een ontsnappingsroute open houden die liep via Messina.

De hieruit volgende bevelen van Guzzoni waren als volgt:

• De 15de pantserdivisie moest naar het midden van het eiland gaan, vandaar zou het naar eender welke (al dan niet bedreigde) plek op het eiland gezonden kunnen worden.
• De Hermann Göring-divisie moest tezamen met de Livorno-divisie een tegenaanval doen op de Amerikanen.

De geallieerde para's, hoewel verspreid in kleine groepen, hadden toch goed werk geleverd, aangezien de As-troepen niet meer konden vertrouwen op hun verbindingen, die voor een groot gedeelte gesaboteerd waren. De As-eenheden zouden, hoewel handelend op eigen initiatief, zonder enige coördinatie, echter zeer effectief blijken te zijn.
Zo werden er op de eerste dag drie afzonderlijke aanvallen ondernomen tegen de gelande Amerikanen. Deze kwamen van de Hermann Göringdivisie(Duits), van de Livornodivisie(Italiaans) en van het 16de legerkorps(Italiaans).

Hoewel de Duitse troepen in de Amerikaanse sector hier en daar de stranden wisten te bereiken en de Italiaanse troepen Gela zelf binnendrongen werden ze uiteindelijk ten kostte van zware verliezen gestopt. Hierbij speelde het ondersteuningsvuur van de Geallieerde oorlogsschepen voor de kust een grote rol.

De situatie bij de Britten lag helemaal anders. Hier lag slechts de Napoli(Italiaans) divisie, een divisie die al onder zijn mansterkte was, maar die bovendien nog verspreid lag over een groot gebied. Het gevolg was natuurlijk dat de aan land komende Britse troepen het heel gemakkelijk hadden om door de Italiaanse linies te breken. Een 70-tal parachutisten, dat de Ponte Grande(= een brug) veroverd had, moest deze na ettelijke uren vechten achterlaten voor de Italiaanse aanvallers aldaar, maar enkele minuten later konden Britse pantservoertuigen deze vitale brug voor de directe opmars naar Syracuse heroveren.

Zo konden de gemotoriseerde troepen Syracuse op de eerste dag veroveren, en nog verder trekken naar Augusta. Onderweg stond echter Gruppe Schmalz(Duits) opgesteld, en die dwong de Britse colonne tot stilstand.
Guzzoni gaf nu het bevel aan Gruppe Schmalz en de Napoli divisie dat zij zo weinig mogelijk terrein moesten prijs geven op de Britten. De Britten konden slechts langzaam oprukken door het moeilijke terrein.
De Duitsers voerden versterkingen aan ter verdediging van het eiland omdat ze bang waren dat het verlies van Sicilië er wel eens voor zou kunnen zorgen dat Italië in elkaar zou storten.
Hierdoor verliep de Britse opmars niet voorspoedig. De gruppe Schmalz en de Napoli divisie trokken zich slechts langzaam vechtend terug. Ze maakten veel slachtoffers onder de Britten. De Britse opmars kwam uiteindelijk tot stilstand Het lukte de Britten niet Messina in te nemen.

De Amerikaanse Sector.
De amerikanen onder Patton kwamen na het afslaan van de tegenaanval wel goed vooruit en veroverden Palermo...
Op 22 juli 1943 gaf deze stad zich over aan de Amerikanen. Door de verovering van Palermo bezaten de Amerikanen eindelijk een grote haven, waardoor hun bevoorrading veel beter verliep. Patton hield in tegenstelling tot Montgomery van snelle aanvallen met hoog risico. Deze manier van vechten verraste de Duitsers en de Italianen. De Amerikanen kwamen hierdoor sneller vooruit dan de Britten.

De verdediging komt in Duitse handen:
Hitler had nog altijd de steun nodig van het Italiaanse leger, aangezien als die steun wegviel, zijn strijdkrachten op Sicilië en Italië in een lastig parket zouden komen, en zelfs gevaar liepen om afgesneden te worden van hun bevoorrading. Bovendien zou dan het gehele Italiaanse schiereiland niet meer verdedigd kunnen worden. Daarom stemde hij toe in het voorstel van Mussolini voor een ontmoeting. Op 19 juli in Feltre was het zover. Op deze conferentie verzekerde Hitler Mussolini ervan dat hij hulp zou sturen om Sicilië te houden.

Duitse troepen bezetten nu de gehele linie, en generaal Hube maakte kenbaar aan Guzzoni dat hij het bevel over de troepen zou willen overnemen

Guzzoni weigerde in eerste instantie, maar besefte later dat het Commando Supremo (Het Italiaanse Oppercommando) geen troepen zou sturen en gaf het operationele bevel door aan Hube, terwijl hijzelf nog het officiële commando droeg.

De Duitsers kwamen met een andere tactiek op de proppen. Terwijl het Guzzoni's instelling was geweest om uiteindelijk een tegenaanval te lanceren en zodanig een stevige uithaal te doen naar de geallieerden, kwam nu de Duitse zienswijze aan de macht. Vanaf nu zou er enkel gedacht worden aan verdedigen en het zo lang mogelijk rekken (om zo een invasie op het Italiaanse vasteland zo lang mogelijk uit te stellen)

Aangezien Monty niet in staat bleek om Messina binnen afzienbare tijd te veroveren, kreeg Patton's leger nu toestemming om eveneens Messina te veroveren.

De Etnalinie.
Voor de verdediging van Noord-Oost Sicilië was de Etnalinie perfect geschikt. Het was een heuvelachtig gebied, met in het westen slechts twee naderingswegen; Verkeersweg 113 (de kustweg) en Verkeersweg 120 (door het binnenland). De Amerikaanse opmars langs deze wegen zou niet meevallen. Hoewel elke divisie instond voor een weg, kwamen ze slechts langzaam vooruit omdat vele bruggen en tunnels waren opgeblazen en overal Duitsers verborgen zaten. Vaak moesten er omtrekkende bewegingen gemaakt worden en als ze voltooid waren, bleek dat de verdedigers al teruggetrokken waren op een achterliggende positie.

Amfibische Landing.
Patton kon zijn pantserdivisies niet gebruiken, en was zodoende veel minder wendbaar. Zijn troepen kwamen amper vooruit. Daarom ging hij de mogelijkheid van een amfibische landing bekijken. Deze landing achter de Duitsers vanuit zee slaagde erg goed ten kostte van zware verliezen. De Duitsers moesten zich terugtrekken.

De Duitsers evacueren Sicilië:
• Voorbereiding

Op acht augustus gaf Kesselring(de Duitse bevelhebber voor Italië) - zonder toestemming van de Führer - de order nodig voor de evacuatie van alle Duitse troepen. Generaal Hube begon onmiddellijk met de planning, en informeerde Guzzoni. Deze zou de Italiaanse troepen eveneens terugtrekken.
De operatie zou op 11 augustus een aanvang nemen, en 5 dagen duren. Baade, de Duitse bevelhebber van de veerponten en alle indirecte verbonden eenheden, zou ervoor moeten zorgen dat alle eenheden op schema overstaken, en was dus indirect verantwoordelijk voor de operatie. Hij beschikte over diverse vlooteenheden - van veren tot motorboten - over luchtafweer en kustbaterijen, alsmede over geniebataljons voor de bediening. Hij zou zes veerroutes kunnen onderhouden

Er werden strenge schema's aangemaakt en elke commandant werd op het hart gedrukt om zich eraan te houden, om niet te laat, maar zeker ook niet te vroeg op het punt van inscheping te komen met de eenheid. Materieel zou overdag worden overgezet waarbij voorrang gegeven zou worden aan pantserafweergeschut en gemechaniseerde wapens. Manschappen mochten enkel onder dekking van de duisternis overgezet worden.
Nadat de Tortorici-stelling op 12 augustus werd opgegeven, kwam er een terugtocht in 3 stappen. Op de terugweg werden de verdedigingslinies alsmaar korter, waardoor er eenheden van het front gehaald werden - om over te zetten - zonder dat de linie onderbemand raakte. Op één punt zou een versterkt bataljon(600 man) zelfs een hele vroegere divisiesector (20.000 man) bezetten om de terugtocht te dekken.
De Italiaanse terugtocht zou met eigen veerboten gebeuren, terwijl hun zware materiaal met de Duitse veerboten verscheept zou worden.

Geallieerde tegenmaatregelen:
De geallieerde luchtvloot had het veel te druk met het aanvallen van gronddoelen en het bombarderen van Rome, zodat ze niet veel aanvallen konden doen om het overzetten te verhinderen. Vele van hun mensen waren immers vermoeid na weken van gevechten. Er werden weliswaar aanvallen uitgevoerd, maar echter zonder problemen te veroorzaken voor de terugtrekkende As-troepen.
De geallieerde vloot durfde hun oppervlakteschepen niet in de baai te sturen, uit vrees voor de sterke kustbatterijen.
De Duitse overtocht kon dus vrijwel zonder noemenswaardige problemen plaatsvinden.

Inname Messina en de inscheping van de laatste Duitse en Italiaanse troepen:

Hube rapporteerde aan Kesselring om zes uur vijfendertig van de zeventiende augustus 1943 dat alle troepen overgezet waren, de operatie was afgesloten.
Diezelfde dag om 7 uur, gaven de stadsautoriteiten van Messina zich over. Sicilië was eindelijk in Geallieerde handen.

Epiloog:
Er is reeds lang over gediscussieerd wie nu de eigenlijke overwinnaar is geworden van de slag om Sicilië. Het is duidelijk dat de geallieerden hun doel bereikten en Sicilië veroverden. Maar toch mag de slag om Sicilië een morele overwinning genoemd worden voor de Duitse strijdkrachten. Niet alleen hielden ze een veel sterkere vijand gedurende een lange tijd op, ze slaagden er ook in om al hun strijdkrachten te evacueren.
De Duitsers waren met 40.000 soldaten aanwezig op het eiland, tezamen met 200.000 Italianen. Van de 450.000 Geallieerden was er 1/3 gevechtstroepen. Wat - door de inferioriteit(=minderwaardigheid) van de Italianen - maakte dat de Duitsers tegen een overmacht vochten. Bovendien hadden zij geen steun van hun vloot, en slechts sporadisch luchtsteun.
Het totale Duitse verliescijfer bedroeg 12.000, terwijl de Italianen op een totaal van 145.000 uitkwamen, inclusief krijgsgevangenen. De Amerikanen verloren 7.500 man, de Britten 11.500. Toch slaagden de Duitsers erin om 125.000 (40.000 Duitsers, 70-75.000 Italianen) man van het eiland te evacueren, tezamen met het grootste deel van hun zware materieel.
Kortom: de Duitsers voerden hier een gedenkwaardig staaltje van verdedigen en tijdrekken uit.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 09 okt 2009, 20:17

De slag om het Italiaanse Vasteland.

Inleiding

Op 9 juli 1943 landden de eerste Amerikaanse en Britse parachutisten op Sicilië. Eén dag later landden het 8ste leger van Montgomery en het 7de leger van Patton op Sicilië, ter voorbereiding van de invasie op het Italiaanse vasteland. Op 17 augustus was de Duitse terugtocht van 100.000 man van hun beste troepen naar het Italiaanse vasteland via de straat van Messina een feit. Sicilië was nu vast in handen van de geallieerden.
Op 3 september 1943 landde het 8ste leger van Montgomery zonder veel moeite in Calabrië en vormde er een bruggenhoofd. Deze troepen kwamen vanuit Sicilië.
Zes dagen later (9 september) ging het Amerikaanse 5de leger (versterkt met het Britse 10de korps) onder de Amerikaanse generaal Mark Clark aan land in de golf van Salerno. Aan boord van hun landingsvaartuigen hoorden de Geallieerde soldaten via de radio dat Italië zich overgegeven had aan de Geallieerden. Een enorm gejuich brak los, er werd bier en wijn gedronken. De Geallieerde soldaten dachten niet meer te hoeven vechten nu Italië zich had teruggetrokken. Ze vergisten zich enorm… De Duitsers reageerden namelijk bliksemsnel. Ze ontwapenden in hoog tempo de Italianen en Duitse eenheden trokken op naar de kust. De Geallieerde invasievloot werd door Duitse vliegtuigen ontdekt en tijdens de landing vochten de Duitsers keihard terug.

Tot begin oktober was het Amerikaanse 5de leger in zware gevechten betrokken en werd bijna in zee gedreven. Van 1 tot 8 oktober was het echter bezig om uit het gevormde bruggenhoofd te breken en trok het samen met het Britse 8ste leger Napels binnen. De opmars werd echter een halt toegeroepen bij de rivier de Volturno.
Toen de geallieerden dan eindelijk door de Volturnolinie braken, had Albert Kesselring, de Duitse opperbevelhebber in Italië, reeds eens sterke verdedigingslinie opgebouwd, de Gustavlinie. De bedoeling van deze linie was dat het een verdedigingslinie zou zijn, dwars door het centrum van Italië, beschermd door rivieren (de Sangro in het oosten, en de Rapido/Garigliano in het westen). In die Gustavlinie lag ook het plaatsje Monte Cassino, met een eeuwenoud Benedictijnenklooster op één van zijn heuvels. Deze stelling moest genomen worden als de geallieerden het Liridal en Rome wilden bereiken.

Eerste fase van de aanval op de Gustavlinie:
De Geallieerden beseften dat ze voor een sterke verdedigingslinie stonden. Ze kwamen met het plan om troepen achter de Gustavlinie te laten landen vanuit zee bij het plaatsje Anzio. In de eerste fase was het doel van de geallieerde aanval tweeledig, namelijk (1) Proberen om de Duitsers zoveel mogelijk van Anzio(plaats aan de kust achter de Duitse linies) - waar binnen enkele dagen een landing zou plaatsvinden - weg te houden. En (2) als de doorbraak lukte om zo snel mogelijk naar Rome op te rukken. De landing bij Anzio zou plaatsvinden op 22 januari 1944, en daarom werd de eerste aanval op de Cassino-Stelling gepland voor 17 januari. 1944. Deze aanval op Cassino mislukte volkomen door sterke Duitse tegenstand.
Anzio
Na deze gebeurtenissen volgde een eerste 'impasse'(=stilstand). De geallieerde legerleiding probeerde deze impasse te doorbreken door een landing achter de Gustavlinie, en dus achter de Duitse linies. De strijdkracht die voor deze operatie gebruikt zou worden, was het VI Amerikaanse Legerkorps onder bevel van generaal Lucas. De uiteindelijke bedoeling was de Duitsers voor een moeilijke beslissing te stellen. Oftewel bleven ze hardnekkig de Gustavlinie verdedigen en konden ze dus in de rug worden aangevallen. Ofwel trokken ze troepen uit de Gustavlinie terug om een tegenaanval op het bruggenhoofd te lanceren, en zo dus hun linie verzwakkend. Wat de Duitsers dus ook deden, de geallieerden zouden altijd aan het langste eind trekken, en de Duitsers tot een terugtocht dwingen. Dit was echter buiten de militaire capaciteiten van Kesselring en Vietinghoff(de Duitse commandanten) gerekend. Onmiddellijk na de landing op 21 en 22 januari werden versterkingen van de Zuid-Franse kust, Noord-Italië en de Balkan aangevoerd om het bruggenhoofd in te dijken. Hierbij kwam dan nog de terughoudendheid van Lucas die vreesde voor een te zwak bruggenhoofd dat direct zou vernietigd worden door de Duitsers. Door die vrees wachtte hij veel te lang met de uitbreiding en tegen dat hij gereed was om uit te breken, waren de Duitsers klaar om een tegenaanval te lanceren.

Deze tegenaanval werd magnifiek uitgevoerd en dreef de geallieerden bijna terug in de zee, alleen door de enorme steun van de vloot die nog dicht bij de kust lag, en een grote aanvoer van versterkingen konden de geallieerden hun bruggenhoofd behouden. Maar zoals Churchill het zo mooi uitdrukte:"Ik had gehoopt dat we een wilde kat het strand op gestuurd hadden; nu zitten we met een aangespoelde walvis." Bij Anzio zou het front bijna volledig onbeweeglijk blijven tot 23 mei 1944 en dus totaal geen invloed meer hebben op de strijd om de Gustavlinie.

Tweede fase van de aanval op de Gustavlinie:
15 februari 1944 stond in de boeken van de plannenmakers genoteerd als de datum van de tweede fase in de strijd om de Gustavlinie en dus ook om Monte Cassino.
Geallieerde vliegtuigen hadden de dag voordien reeds pamfletten gedropt om de bezetters en de vluchtelingen te waarschuwen dat zij hadden besloten om Monte Cassino en de omringende Duitse posities vanuit de lucht te bestoken. Bijna zonder uitzondering verlieten de vluchtelingen Monte Cassino om deze bombardementen te ontlopen. De Duitse troepen op de vele hellingen en heuvels bereidden zich voor op wat er nog komen moest. Zij waren zeer goed ingegraven.
Zeer vroeg in de morgen van de 15e begon, zoals beloofd, het geallieerde bombardement. Voor de eerste keer waren bombardementsvliegtuigen gebruikt voor de nabijsteun van infanterie. De gevolgen voor het klooster waren rampzalig, het werd bijna totaal verwoest, en later werd er internationale kritiek uitgeoefend tegen de verwoesting van dit zeer heilige en historische gebouw.
Het ongeluk was echter dat de muren van het klooster zeer dik waren, en de ruïnes van de abdij waren uitstekend geschikt voor de verdediging. De Duitsers waren voordien altijd een paar honderden meters uit de buurt van het klooster gebleven en hadden geprobeerd het klooster tot neutraal gebied te behouden.

Na dit bombardement was die neutraliteit echter opgeheven en bezetten ze het, en hadden er zo een zeer sterke verdedigingsstelling bij.
De infanterieaanval van de 2de Nieuwzeelandse divisie kwam vlak achter het bombardement, en had het station van de stad Cassino tot hoofddoel. De 'Kiwi's' kwamen in een spervuur van tanks, artillerie en geweervuur, dat hen met zware verliezen, terug over de rivier de Rapido dwong. Er werd geen terreinwinst geboekt.
Bij Cassino werd de Duitse 90ste panzerdivisie afgelost door de 1ste Duitse parachutedivisie die meestal met de strijd bij Cassino wordt geassocieerd en hier ook zijn bijnaam 'The Green Devils' verdiend heeft, door hun heldhaftige verdediging van de stad. Hun bevelhebber was Generaal Richard Heidrich.

Derde fase van de aanval op de Gustavlinie:
Hierna bleef het gedurende één maand rustig in alle sectoren. Deze periode werd door beide zijden benut om voorraden aan te voeren en gedeeltelijk hun eenheden te versterken.
Tot er op de ochtend van 15 maart 1944 (een dag met mooi weer) opnieuw een bombardement begon. De Duitse para's hadden tijd gekregen om zich goed in te graven en hadden die mogelijkheid goed benut.
Nochtans veroorzaakte het immense geallieerde bombardement op 15 maart 1944 toch nog relatief gezien een groot aantal doden. Een aantal bataljons vielen onder een getalsterkte van 200(van origineel 600 manschappen)
Toen de 2de Nieuwzeelandse divisie aanviel, kwamen de parachutisten uit hun schuilplaatsen in de ruïnes, namen hun defensieve posities in en bestookten de aanvallers met alles wat ze in huis hadden.

De Nieuwzeelanders wandelden bijna in perfecte marsorde het stadje binnen, ervan overtuigd dat niets het ontzaggelijke bombardement overleefd kon hebben. Hun tanks bleven echter steken door de bomkraters van hun eigen artillerievuur en bommenwerpers. De infanterie moest dus alleen oprukken en werd vastgepind. Hierna werd er een rookgordijn gelegd op de Kloosterhellingen om de pogingen van de Nieuwzeelanders te verbergen om een Baileybrug te bouwen over de Rapido. Dit rookgordijn belette het zicht van de Duitse waarnemers op de rivier. De Kiwi's slaagden er uiteindelijk toch in om de stad althans gedeeltelijk te veroveren uitgezonderd enkele 'Duitse weerstandsnesten' die onmiddellijk enorm versterkt werden.
Huis-aan-huisgevechten namen enkele dagen in beslag die de opmars weer spaak deden lopen. Ook Heidrich's beslissing om het Duitse artillerievuur op de Nieuwzeelandse posities in de stad te leggen droeg hiertoe bij.
De volgende dag voerden de Duitsers reserves aan om de weerstandsnesten te verdedigen. De verdedigingswerken in de stad waren nu onder leiding van Hauptmann Rudolf Rennecke. De verdedigers van de stad waren nu meer dan de helft van hun manschappen die ze hadden voor de verdediging kwijt. Toch hielden ze de Geallieerde troepen tegen.

Voordat er nog een frontale aanval kon plaatsvinden door de geallieerden kwam er een tegenaanval van Duitse zijde en hierop volgde een zeer heftig handgemeen. Er waren zware verliezen aan beide kanten, maar de aanval leverde echter geen resultaat op, buiten het feit dat de Geallieerde aanval nog eens vertraagd werd.
Toen verschenen Geallieerde tanks op het toneel. De Duitse parachutisten gebruikten echter hun zeer effectieve Panzerfausts en Panzerschrecks(soort bazooka’s), vernietigden de eersten en hielden de daaropvolgende zo op.

Hierop kwamen de Duitse para's die naast de weg waren ingegraven in actie en vernietigden de tanks op de weg zonder moeite mét handgranaten.
Tegen de avond van dezelfde dag nog werd de aanval voor de zoveelste keer afgelast. De geallieerde troepen groeven zich nog maar eens in, alweer met weinig terreinwinst die echter ten koste was gegaan van zware verliezen.

Op 23 maart 1944 werd de aanval nog maar eens uitgesteld. De totale tol aan verliezen bij de geallieerden van de voorbije acht dagen was opgelopen tot bijna 400 man per dag.
26 maart 1944 was een zegedag voor de Duitsers, want onder dekking van een bombardement waren de geallieerde troepen teruggetrokken van een belangrijke heuvel, en de para's konden nu hun vlag weer op de top hijsen.
Door de hevige gevechten bij Cassino probeerden de Geallieerden zoveel mogelijke Duitse divisies te binden in Italieë die dan niet in Frankrijk gebruikt zouden kunnen worden wanneer daar in Normandié in juni 1944 de invasie zou plaatsvinden..

Vierde fase van de aanval op de Gustavlinie:
De einddatum voor het begin van de vierde fase was gesteld op 11 mei 1944. De geallieerden hadden voor deze operatie zo'n 2000 artilleriestukken aangevoerd en deze openden nu gelijktijdig hun vuur. De Duitse para's werden overvallen door de vuurstorm. De Geallieerden hadden nu drie keer zoveel manschappen als de Duitsers.
Nu was het einde gekomen voor de Gustavlinie. De Duitse linies waren doorbroken.
Ook werden er eindelijk tanks ingezet om het klooster te veroveren. Ondanks zwaar Duits artillerie en mortiervuur werden de heldhaftige verdedigers toch overmeesterd op de 16de mei 1944.

Juist op dat moment kwam het persoonlijk bevel van Veldmaarschalk Kesselring om de stad, het klooster en de omliggende heuvels te verlaten. Doordat dit bevel op het juiste ogenblik was gegeven en doordat de Strada Statala 6 (hoofdweg 6) niet door de geallieerden was afgesneden konden duizenden manschappen van Duitslands elite-eenheden ontsnappen naar het noorden en daar de strijd voortzetten.
Door deze terugtocht viel Cassino op 17 mei 1944, na een beleg van 5 maanden.
De Duitsers lieten bij hun terugtocht enkel de gewonden achter in het klooster. Op 18 mei 1944 bereikten de Poolse eenheden dan uiteindelijk het klooster en hesen er hun vlag.

Epiloog.
Na de doorbraak van de Gustavlinie volgde nog een aantal linies in Italië zoals de Hitler/Senger linie en de Caesarlinie en de Gotenlinie. Deze werden echter allen binnen enkele dagen doorbroken. Het Duitse 10de en 14de leger ontsnapten nog net aan de omsingeling tijdens de val van Rome op 4 juni 1944 omdat de amerikaanse generaal Clark voorrang gaf aan de verovering van Rome boven het afsnijden van de Duitse troepen. Vanaf dit ogenblik namen de gevechten in Italië in hevigheid af omdat de Geallieerden het grootste gedeelte van hun troepen en schepen nodig hadden voor de landing in Normandië op 6 juni 1944. Beide partijen lagen tegenover elkaar en het front stabiliseerde zich. Pas in april 1945 stortte de Duitse en fascistische tegenstand in het noorden in elkaar.

De tol van Cassino
Wel dat is nogal moeilijk om te zeggen, de bronnen spreken elkaar tegen, maar dit zijn de cijfers die het meest acceptabel zijn.
Tussen 15 januari en 4 juni 1944 verloor het 5de Amerikaanse leger verloor 107.144 man, het Britse 13de Korps 4.056 en het Poolse 2de Korps 3.779. Dit zorgt voor een totaal van 118.979 doden, gewonden, of vermisten aan geallieerde zijde.
Aan de Duitse zijde is er sprake van zo'n 20.000 gedode soldaten, echter alleen bij de Gustavlinie.

Een citaat van de Duitse Parachutisten.
"Das Geheimnis des Erfolges der Fallschirmtruppe kann in drei Begriffen dargestellt werden: Kameradschaft, Korpsgeist und Einsatzbereitschaft."
"Het geheim van het succes van de parachutisten kan worden samengevat in drie woorden; kameraadschap, korpsgeest en efficiëntie."
Major Rudolf Boehmler - 1/FGR3, Cassino

De ondergang van de fascistische staat.
De Duitsers slaagden er ook in om Mussolini te vinden en te bevrijden. Mussolini werd naar München gebracht waar Hitler hem vroeg een nieuwe regering te vormen in Noord-Italië.

Op 23 september 1943 werd de Italiaanse Sociale Republiek, met Mussolini aan het hoofd, uitgeroepen. Mussolini had echter weinig macht, de werkelijke machthebbers waren de Duitsers. De Republiek verklaarde de oorlog aan het koninkrijk Italië, dat inmiddels de kant van de geallieerden had gekozen. De Italiaanse Sociale Republiek was veel racistischer en antisemitischer van aard dan Mussolini's vorige regering.

De hoofdstad was gevestigd in Salò aan het Gardameer. Mussolini werd gedwongen de voorheen Italiaanse gebieden Zuid-Tirol, Triëst en Istrië aan Duitsland af te staan. De Republiek verloor continu terrein door het opdringen van de geallieerde troepen. Op 25 april 1945 verliet Mussolini Salò, op de vlucht voor de geallieerden. Dit wordt over het algemeen als het eind van de Italiaanse Sociale Republiek gezien. Drie dagen later werd Mussolini gedood. Op 2 mei 1945 capituleerden de laatste Duitse en Italiaanse fascistische troepen in Italië.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 13 feb 2011, 19:25

After the liberation of Rome and the end of World War two, the 2nd June 1946 the Italians voted to chose what institutional form the state would have (Monarchy or Republic) and to elect a Constituent Assembly.

The turnout at the polling booths was very high: 25 million people (89.1 % of the voters). 54.3 % chose the Republic and only 45.7 % the Monarchy; 573 deputies were appointed. The Christian Democracy had the relative majority (35.2 %), followed by the Socialist Party (20.7 %) and the Communist Party (19 %).
The outcomes were proclaimed the 10th June, and the President of the Council De Gasperi was appointed as the provisional Head of State until the 28th June, when the Constituent Assembly elected Enrico De Nicola as the President of the Nation.
The Constituent Assembly met for the first time the 25th June; the 15th July it instituted the “Commission of the 75”, in charge of designing the Constitution project. The Commission worked until the 1st February 1947, operating in three subcommissions, one for each section envisaged by the bill of rights: “the citizens’ rights and duties”, “the constitutional organisation of the State”, and “the economic and social relations”.
The discussion of the project in the Parliament began the 4th March and continued for the entire year, with the introduction of some important changes. The Assembly held a secret ballot vote the 22nd December and the new Constitution was approved by 453 votes for it and 62 against it. De Nicola promulgated it the 27th December and it finally entered into force the 1st January 1948.


Constitution
of the Italian
Republic


FUNDAMENTAL PRINCIPLES
Pag. 5
PART I – RIGHTS AND DUTIES OF CITIZENS
» 7
TITLE I – CIVIL RELATIONS
» 7
TITLE II – ETHICAL AND SOCIAL RIGHTS AND DUTIES »10
TITLE III – ECONOMIC RIGHTS AND DUTIES
» 12
TITLE IV – POLITICAL RIGHTS AND DUTIES
» 14
PART II – ORGANISATION OF REPUBLIC
» 16
TITLE I – THE PARLIAMENT
» 16
Section I – The Houses
» 16
Section II – The Legislative Process
» 19
TITLE II – THE PRESIDENT OF THE REPUBLIC
» 22
TITLE III – THE GOVERNMENT
» 24
Section I – The Council of Ministers
» 24
Section II – Public Administration
» 25
Section III – Auxiliary Bodies
» 25
TITLE IV – THE JUDICAL BRANCH
» 26
Section I – The Organisation of the Judiciary
» 26
Section II – Rules on Jurisdiction
» 28
3


TITLE VI – CONSTITUTIONAL GUARANTEES
» 37
Section I – The Constitutional Court
» 37
Section II – Amendments to the Constitution.
Constitutional Laws
» 38
TRANSITIONAL AND FINAL PROVISIONS
» 39

FUNDAMENTAL PRINCIPLES

Art. 1


Italy is a democratic Republic founded on labour.
Sovereignty belongs to the people and is exercised by the people in the forms
and within the limits of the Constitution.


Art. 2


The Republic recognises and guarantees the inviolable rights of the person,
both as an individual and in the social groups where human personality is
expressed. The Republic expects that the fundamental duties of political,
economic and social solidarity be fulfilled.


Art. 3


All citizens have equal social dignity and are equal before the law, without
distinction of sex, race, language, religion, political opinion, personal and
social conditions.
It is the duty of the Republic to remove those obstacles of an economic or
social nature which constrain the freedom and equality of citizens, thereby
impeding the full development of the human person and the effective
participation of all workers in the political, economic and social organisation
of the country.


Art. 4


The Republic recognises the right of all citizens to work and promotes those
conditions which render this right effective.
Every citizen has the duty, according to personal potential and individual
choice, to perform an activity or a function that contributes to the material or
spiritual progress of society.


Art. 5


The Republic is one and indivisible. It recognises and promotes local
autonomies, and implements the fullest measure of administrative
decentralisation in those services which depend on the State. The Republic



Art. 6


The Republic safeguards linguistic minorities by means of appropriate
measures.


Art. 7


The State and the Catholic Church are independent and sovereign, each
within its own sphere.
Their relations are regulated by the Lateran pacts. Amendments to such Pacts
which are accepted by both parties shall not require the procedure of
constitutional amendments.


Art. 8


All religious denominations are equally free before the law.
Denominations other than Catholicism have the right to self-organisation
according to their own statutes, provided these do not conflict with Italian law.
Their relations with the State are regulated by law, based on agreements with
their respective representatives.


Art. 9


The Republic promotes the development of culture and of scientific and
technical research.
It safeguards natural landscape and the historical and artistic heritage of the
Nation.


Art. 10


The Italian legal system conforms to the generally recognised principles of
international law.
The legal status of foreigners is regulated by law in conformity with
international provisions and treaties.
A foreigner who, in his home country, is denied the actual exercise of the
democratic freedoms guaranteed by the Italian constitution shall be entitled to
the right of asylum under the conditions established by law.
A foreigner may not be extradited for a political offence.


Art. 11


Italy rejects war as an instrument of aggression against the freedom of other
peoples and as a means for the settlement of international disputes. Italy



agrees, on conditions of equality with other States, to the limitations of
sovereignty that may be necessary to a world order ensuring peace and justice
among the Nations. Italy promotes and encourages international organisations
furthering such ends.

Art. 12

The flag of the Republic is the Italian tricolour: green, white and red, in three
vertical bands of equal size.

PART I
RIGHTS AND DUTIES OF CITIZENS

TITLE I
CIVIL RELATIONS

Art. 13


Personal liberty is inviolable.
No one may be detained, inspected, or searched nor otherwise subjected
to any restriction of personal liberty except by order of the Judiciary
stating a reason and only in such cases and in such manner as provided by
the law.
In exceptional circumstances and under such conditions of necessity and
urgency as shall conclusively be defined by the law, the police may take
provisional measures that shall be referred within 48 hours to the Judiciary for
validation and which, in default of such validation in the following 48 hours,
shall be revoked and considered null and void.
Any act of physical and moral violence against a person subjected to
restriction of personal liberty shall be punished.
The law shall establish the maximum duration of preventive detention.


Art. 14


The home is inviolable.
Personal domicile shall be inviolable.
Home inspections, searches, or seizures shall not be admissible save in the
cases and manners complying with measures to safeguard personal liberty.
Controls and inspections for reason of public health and safety, or for
economic and fiscal purposes, shall be regulated by appropriate laws.



Freedom and confidentiality of correspondence and of every other form of
communication is inviolable.
Limitations may only be imposed by judicial decision stating the reasons and
in accordance with the guarantees provided by the law.

Art. 16

Every citizen has the right to reside and travel freely in any part of the country,
except for such general limitations as may be established by law for reasons
of health or security. No restriction may be imposed for political reasons.
Every citizen is free to leave the territory of the republic and return to it,
notwithstanding any legal obligations.

Art. 17

Citizens have the right to assemble peaceably and unarmed.
No previous notice is required for meetings, including those held in places
open the public.
In case of meetings held in public places, previous notice shall be given to the
authorities, who may prohibit them only for proven reason of security or
public safety.

Art. 18

Citizens have the right to form associations freely and without authorization
for those ends that are not forbidden by criminal law.
Secret associations and associations that, even indirectly, pursue political
aims by means of organisations having a military character shall be forbidden.

Art. 19

Anyone is entitled to freely profess their religious belief in any form,
individually or with others, and to promote them and celebrate rites in
public or in private, provided they are not offensive to public morality.

Art. 20

No special limitation or tax burden may be imposed on the establishment,
legal capacity or activities of any organisation on the ground of its religious
nature or its religious or confessionai aims.

Art. 21

Anyone has the right to freely express their thoughts in speech, writing, or any
other form of communication.


The press may not be subjected to any authorisation or censorship.
Seizure may be permitted only by judicial order stating the reason and only
for offences expressly determined by the law on the press or in case of
violation of the obligation to identify the persons responsible for such
offences.
In such cases, when there is absolute urgency and timely intervention of the
Judiciary is not possible, a periodical may be confiscated by the criminal
police, which shall immediately and in no case later than 24 hours refer the
matter to the Judiciary for validation. In default of such validation in the
following 24 hours, the measure shall be revoked and considered null and
void.
The law may introduce general provisions for the disclosure of financial
sources of periodical publications.
Publications, performances, and other exhibits offensive to public morality
shall be prohibited. Measures of preventive and repressive measure against
such violations shall be established by law.


Art. 22


No-one may be deprived of his legal capacity, citizenship, or name for
political reasons.


Art. 23


No obligation of a personal or financiai nature may be imposed on any person
except by law.


Art. 24


Anyone may bring cases before a court of law in order to protect their rights
under civil and administrative law.
Defense is an inviolable right at every stage and instance of legal proceedings.
The poor are entitled by law to proper means for action or defense in all
courts.
The law shall define the conditions and forms of reparation in case of judicial
errors.


Art. 25


No case may be removed from the court seized with it as established by law.
No punishment may be inflicted except by virtue of a law in force at the time
tehe offence was committed.
No restriction may be placed on a person's liberty save for as provided by law.



Extradition of a citizen may be granted only if it is expressly envisaged by
international conventions.
In any case, extradition may not be permitted for political offences.


Art. 27


Criminal responsibility is personal.
A defendant shall be considered not guilty until a final sentence has been
passed.
Punishments may not be inhuman and shall aim at re-educating the convicted.
Death penalty is prohibited (1).


Art. 28


Officials of the State or public agencies shall be directly responsible under
criminal, civil, and administrative law for acts committed in violation of
rights.
In such cases, civil liability shall extend to the State and to such public
agency.


TITLE II
ETHICAL AND SOCIAL RIGHTS AND DUTIES

Art. 29


The Republic recognises the rights of the family as a natural society founded
on marriage.
Marriage is based on the moral and legal equality of the spouses within the
limits laid down by law to guarantee the unity of the family.


Art. 30


It is the duty and right of parents to support, raise and educate their children,
even if born out of wedlock.
In the case of incapacity of the parents, the law provides for the fulfilment of
their duties.
The law ensures such legal and social protection measures as are compatible
with the rights of the members of the legitimate family to any children born
out of wedlock.
The law shall establish rules and constraints for the determination of
paternity.


10 (1) Article amended by Constitutional Amendment Law no. 1 of 2 October 2007


The Republic assists the formation of the family and the fulfilment of its
duties, with particular consideration for large families, through economic
measures and other benefits.
The Republic protects mothers, children and the young by adopting
necessary provisions.


Art. 32


The Republic safeguards health as a fundamental right of the individual
and as a collective interest, and guarantees free medical care to the
indigent.
No one may be obliged to undergo any health treatment except under the
provisions of the law. The law may not under any circumstances violate the
limits imposed by respect for the human person.


Art. 33


The Republic guarantees the freedom of the arts and sciences, which may
be freely taught.
The Republic lays down general rules for education and establishes state
schools of all branches and grades.
Entities and private persons have the right to establish schools and
institutions of education, at no cost to the State.
The law, when setting out the rights and obligations for the non-state
schools which request parity, shall ensure that these schools enjoy full
liberty and offer their pupils an education and qualifications of the same
standards as those afforded to pupils in state schools.
State examinations are prescribed for admission to and graduation from the
various branches and grades of schools and for qualification to exercise a
profession.
Higher education institutions, universities and academies, have the right to
establish their own regulations within the limits laid down by the law.


Art. 34


Schools are open to everyone.
Primary education, given for at least eight years, is compulsory and free of
tuition.
Capable and deserving pupils, including those lacking financial resources,
have the right to attain the highest levels of education.
The Republic renders this right effective through scholarships, allowances
to families and other benefits, which shall be assigned through competitive
examinations.



Art. 35


The Republic protects work in all its forms and practices.
It provides for the training and professional advancement of workers.
It promotes and encourages international agreements and organisations
which have the aim of establishing and regulating labour rights.
It recognises the freedom to emigrate, subject to the obligations set out by
law in the general interest, and protects Italian workers abroad.


Art. 36


Workers have the right to a remuneration commensurate to the quantity
and quality of their work and in any case such as to ensure them and their
families a free and dignified existence.
Maximum daily working hours are established by law.
Workers have the right to a weekly rest day and paid annual holidays. They
cannot waive this right.


Art. 37


Working women are entitled to equal rights and, for comparable jobs,
equal pay as men. Working conditions must allow women to fulfil their
essential role in the family and ensure appropriate protection for the
mother and child.
The law establishes the minimum age for paid labour.
The Republic protects the work of minors by means of special provisions
and guarantees them the right to equal pay for equal work.


Art. 38


Every citizen unable to work and without the necessary means of
subsistence is entitled to welfare support.
Workers have the right to be assured adequate means for their needs and
necessities in the case of accidents, illness, disability, old age and
involuntary unemployment.
Disabled and handicapped persons are entitled to receive education and
vocational training.
Responsibilities under this article are entrusted to entities and institutions
established by or supported by the State.
Private-sector assistance may be freely provided.



Trade unions may be freely established.
No obligations may be imposed on trade unions other than registration at
local or central offices, according to the provisions of the law.
A condition for registration is that the statutes of the trade unions establish
their internal organisation on a democratic basis.
Registered trade unions are legal persons. They may, through a unified
representation that is proportional to their membership, enter into collective
labour agreements that have a mandatory effect for all persons belonging to
the categories referred to in the agreement.

Art. 40

The right to strike shall be exercised in compliance with the law.

Art. 41

Private economic enterprise is free.
It may not be carried out against the common good or in such a manner that
could damage safety, liberty and human dignity.
The law shall provide for appropriate programmes and controls so that public
and private-sector economic activity may be oriented and co-ordinated for
social purposes.

Art. 42

Property is public or private. Economic assets may belong to the State, to
public bodies or to private persons. Private property is recognised and
guaranteed by the law, which prescribes the ways it is acquired, enjoyed
and its limitations so as to ensure its social function and make it accessible
to all.
In the cases provided for by the law and with provisions for compensation,
private property may be expropriated for reasons of general interest.
The law establishes the regulations and limits of legitimate and testamentary
inheritance and the rights of the State in matters of inheritance.

Art. 43

For the purposes of the common good, the law may establish that an
enterprise or a category thereof be, through a pre-emptive decision or
compulsory purchase authority with provision of compensation, reserved to
the Government, a public agency, a workers' or users' association, provided
that such enterprise operates in the field of essential public services, energy
sources or monopolies and are of general public interest.


For the purpose of ensuring the rational use of land and equitable social
relationships, the law imposes obligations and constraints on private
ownership of land; it sets limitations to the size of property according to
the region and the agricultural area; encourages and imposes land
reclamation, the conversion of latifundia and the reorganisation of farm
units; and assists small and medium-sized properties.
The law makes provisions for mountain areas.


Art. 45


The Republic recognises the social function of co-operation of a mutually
supportive, non-speculative nature. The law promotes and encourages co
operation
through appropriate means and ensures its character and
purposes through appropriate checks.
The law safeguards and promotes the handicrafts.


Art. 46


For the economic and social betterment of workers and in harmony with
the needs of production, the Republic recognises the rights of workers to
collaborate in the management of enterprises, in the ways and within the
limits established by law.


Art. 47


The Republic encourages and safeguards savings in all forms. It regulates,
co-ordinates and oversees the operation of credit.
The Republic promotes house and farm ownership and direct and indirect
shareholding in the main national enterprises through the use of private
savings.


TITLE IV
POLITICAL RIGHTS AND DUTIES

Art. 48

Any citizen, male or female, who has attained majority, is entitled to
vote.
The vote is personal and equal, free and secret. The exercise thereof is a
civic duty.
The law lays down the requirements and modalities for citizens residing
abroad to exercise their right to vote and guarantees that this right is


effective. A constituency of Italians abroad shall be established for
elections to the Houses of Parliament; the number of seats of such
constituency is set forth in a constitutional provision according to criteria
established by law.
The right to vote cannot be restricted except for civil incapacity or as a
consequence of an irrevocable penal sentence or in cases of moral
unworthiness as laid down by law.


Art. 49


Any citizen has the right to freely establish parties to contribute to
determining national policies through democratic processes.


Art. 50


Any citizen may present petitions to Parliament to request legislative
measures or to express collective needs.


Art. 51


Any citizen of either sex is eligible for public offices and elected
positions on equal terms, according to the conditions established by law.
To this end, the Republic shall adopt specific measures to promote equal
opportunities between women and men.
The law may grant Italians who are not resident in the Republic the same
rights as citizens for the purposes of access to public offices and elected
positions.
Whoever is elected to a public function is entitled to the time needed to
perform that function and to retain a previously held job.


Art. 52


The defence of the country is a sacred duty for every citizen.
Military service is obligatory within the limits and in the manner set by
law. Its fulfilment shall not prejudice a citizen’s job, nor the exercise of
political rights.
The organisation of the armed forces shall be based on the democratic
spirit of the Republic.


Art. 53


Every person shall contribute to public expenditure in accordance with
their capability.
The tax system shall be progressive.



All citizens have the duty to be loyal to the Republic and to uphold its
Constitution and laws.
Those citizens to whom public functions are entrusted have the duty to fulfil
such functions with discipline and honour, taking an oath in those cases
established by law.

PART II
ORGANISATION OF REPUBLIC

TITLE I
THE PARLIAMENT

Section I

The Houses

Art. 55


Parliament consists of the Chamber of deputies and the Senate of the
Republic.
Parliaments shall meet in joint session only in cases established by this
Constitution.


Art. 56


The Chamber of deputies is elected by direct and universal suffrage.
The number of deputies is six hundred and thirty, twelve of which are elected
in the overseas constituency. All voters who have attained the age of twenty-
five on the day of elections are eligible to be deputies.
The division of seats among the electoral districts, with the exception of the
number of seats assigned to the overseas constituency, is obtained by dividing
the number of inhabitants of the Republic, as shown by the latest general
census of the population, by six hundred eighteen and by distributing the seats
in proportion to the population in every electoral district, on the basis of
whole shares and highest remainders.


Art. 57


The Senate of the Republic is elected on a regional basis, with the exception
of the seats assigned to the overseas constituency.
The number of senators to be elected is three hundred and fifteen, six of



whom are elected in the overseas constituency. No Region may have fewer
than seven Senators; Molise shall have two, Valle d’Aosta one.
The division of seats among the Regions, with the exception of the number of
seats assigned to the overseas constituency and in accordance with the
provisions of Article 56 above, is made in proportion to the population of the
Regions as per the latest general census, on the basis of whole shares and
highest remainders.


Art. 58


Senators are elected by universal and direct suffrage by voters who are
twenty-five years of age.
Voters who have attained the age of forty are eligible to be elected to the
Senate.


Art. 59


Former Presidents of the Republic are Senators by right and for life unless
they renounce the office.
The President of the Republic may appoint five citizens who have honoured
the Nation through their outstanding achievements in the social, scientific,
artistic and literary fields as life Senators.


Art. 60


The Chamber of deputies and the Senate of the Republic are elected for five
years.
The term for each House may not be extended, except by law and only in the
case of war.


Art. 61


Elections for a new Parliament shall take place within seventy days from the
end of the term of the previous Houses. The first meeting is convened no later
than twenty days after the elections.
Until such time as the new Houses meet, the powers of the previous Houses
are extended.


Art. 62


In default of any other provisions, Parliament shall be convened on the first
working day of February and October.
Each House may be convened in special session on the initiative of its
President, the President of the Republic or a third of its members.
When one House is convened in special session, the other House is convened
as a matter of course.



Each House shall elect a President and a Bureau from among its members.
When Parliament meets in joint session, the President and the Bureau are
those of the Chamber of Deputies.


Art. 64


Each House adopts its own Rules by an absolute majority of its members.
The sittings are public; however, each of the Houses and Parliament in
joint session may decide to convene a closed session.
The decisions of each House and of Parliament are not valid if the majority
of the members is not present, and if they are not passed by a majority of
those present, save for those instances where the Constitution prescribes a
special majority.
Members of the Government, even when not members of Parliament, have
the right, and, when requested, the obligation to attend the sittings. They
shall be heard every time they so request.


Art. 65


The law determines the cases of disqualification with the office of deputy
or senator.
No one may be a member of both Houses at the same time.


Art. 66


Each House verifies the credentials of its members and the causes of
disqualification that may arise at a later stage.


Art. 67


Each Member of Parliament represents the Nation and carries out his
duties without a binding mandate.


Art. 68


Members of Parliament cannot be held accountable for the opinions
expressed or votes cast in the performance of their function.
In default of the authorisation of his House, no Member of Parliament may
be submitted to personal or home search, nor may he be arrested or
otherwise deprived of his personal freedom, nor held in detention, except
when a final court sentence is enforced, or when the Member is
apprehended in the act of committing an offence for which arrest flagrante
delicto is mandatory.



Such an authorization shall also be required in order to monitor a Member
of Parliament's conversations or communications, or to seize such
member’s mail.

Art. 69

Members of Parliament shall receive an allowance established by law.

Section II

The Legislative Process

Art. 70

The legislative function is exercised collectively by both Houses.

Art. 71

Legislation may be introduced by the Government, by a Member of
Parliament and by those entities and bodies so empowered by
constitutional amendment law.
The people may initiate legislation by proposing a bill drawn up in sections
and signed by at least fifty-thousand voters.

Art. 72

A Bill introduced in either House of Parliament shall, under the Rules of
procedure of such House, be scrutinised by a Committee and then by the
whole House, which shall consider it section by section and then put it to
the final vote.
The Rules shall establish shorter procedures to consider a Bill that has been
declared urgent.
They may also establish when and how the consideration and approval of
bills may be referred to Committees, including Standing Committees,
composed so as to reflect the proportion of the Parliamentary Groups. Even
in such cases, until the moment of its final approval, a bill may be referred
back to the whole House, if the Government or one-tenth of the members
of the House or one-fifth of the Committee request that it be debated and
voted on by the House itself or that it be submitted to the House for final
approval, following explanations of vote. The Rules shall establish the ways
in which the proceedings of Committees are made public.
The ordinary procedure for consideration and direct approval by the House
is always followed in the case of bills on constitutional and electoral


Art. 73

Laws are promulgated by the President of the Republic within one month
of their approval.
If the Houses, each by an absolute majority of its members, declare a law
to be urgent, the law is promulgated within the deadline established
therein.
A laws is published immediately after promulgation and comes into force
on the fifteenth day following publication, unless such law establishes a
different deadline.

Art. 74

The President of the Republic may send Parliament a reasoned opinion to
request that a law scheduled for promulgation be considered anew.
If such law is passed again, it shall be promulgated.

Art. 75

A general referendum may be held to repeal, in whole or in part, a law or
a measure having he force of law, when so requested by five hundred
thousand voters or five Regional Councils.
No referendum may be held on a law regulating taxes, the budget, amnesty
or pardon, or a law ratifying an international treaty.
Any citizen entitled to vote for the Chamber of deputies has the right to
vote in a referendum.
The referendum shall be considered to have been carried if the majority of
those eligible has voted and a majority of valid votes has been achieved.

Art. 76

The exercise of the legislative function may not be delegated to the
Government unless principles and criteria have been established and then
only for a limited time and for specified purposes.

Art. 77

The Government may not, without an enabling act from the Houses, issue
a decree having force of law.
When the Government, in case of necessity and urgency, adopts under its
own responsibility a temporary measure, it shall introduce such measure to
Parliament for transposition into law. During dissolution, Parliament shall
be convened within five days of such introduction.


Such a measure shall lose effect from the beginning if it is not transposed
into law by Parliament within sixty days of its publication. Parliament may
regulate the legal relations arisen from the rejected measure.


Art. 78


Parliament has the authority to declare a state of war and vest the necessary
powers into the Government.


Art. 79


Amnesty and pardon may ge granted by a law which has received a two-
thirds majority in both Houses of Parliament, on each section and on the
final vote.
Such law shall set the deadline for the implementation of amnesty or
pardon.
Amnensty and pardon thus introduced may not be granted in the cases of
a crime committed after the introduction of such bill.


Art. 80


Parliament shall authorise by law the ratification of such international
treaties as have a political nature, require arbitration or a legal settlement,
entail change of borders, spending or new legislation.


Art. 81


Every year, Parliament shall pass the budget and the financial statements
introduced by the Government.
Interim budget authority may not be granted save by law and for not longer
than four months.
The Budget may not introduce new taxes and new expenditures.
Any other law involving new or increased spending shall detail the means
therefor.


Art. 82


Each House of Parliament may conduct enquiries on matters of public
interest.
For this purpose, it shall detail from among its members a Committee
formed in such a way so as to represent the proportionality of existing
Parliamentary Groups. A Committee of Enquiry may conduct
investigations and examination with the same powers and limitations as
the judiciary.



Art. 83


The President of the Republic is elected by Parliament in joint session.
Three delegates from every Region elected by the Regional Council so as
to ensure that minorities are represented shall participate in the election.
Valle d’Aosta has one delegate only.
The election of the President of the Republic is by secret ballot with a
majority of two thirds of the assembly. After the third ballot an absolute
majority shall suffice.


Art. 84


Any citizen who has attained fifty years of age and enjoys civil and
political rights can be elected President of the Republic.
The office of President of the Republic is incompatible with any other
office.
The remuneration and entitlements of the President are established by law.


Art. 85


The President of the Republic is elected for seven years.
Thirty days before the expiration of the term, the President of the Chamber
of Deputies shall summon a joint session of Parliament and the regional
delegates to elect the new President of the Republic.
During dissolution of Parliament or in the three months preceding
dissolution, the election shall be held within the first fifteen days of the
first sitting of a new Parliament.
In the intervening time, the powers of the incumbent President are
extended.


Art. 86


The functions of the President of the Republic, in all cases in which the
President cannot perform them, shall be performed by the President of the
Senate.
In case of permanent incapacity or death or resignation of the President of
the Republic, the President of the Chamber of Deputies shall call an
election of a new President of the Republic within fifteen days,
notwithstanding the longer term envisaged during dissolution of
Parliament or in the three months preceding dissolution.



The President of the Republic is the Head of the State and represents
national unity.
The President may send messages to Parliament.
The President shall:


– authorise the introduction to Parliament of bills initiated by the
Government;
– promulgate laws and issue decrees having the force of law, and
regulations;
– call a general referendum in the cases provided for by the Constitution;
– appoint State officials in the cases provided for by the law;
– accredit and receive diplomatic representatives, and ratify international


treaties which have, where required, been authorised by Parliament.
The President is the commander-in-chief of the armed forces, shall preside
over the Supreme Council of Defence established by law, and shall make
declarations of war as have been agreed by Parliament.
The President shall preside over the High Council of the Judiciary.
The President may grant pardons and commute punishments.
The President shall confer the honorary distinctions of the Republic.

Art. 88

In consultation with the presiding officers of Parliament, the President may
dissolve one or both Houses of Parliament.
The President of the Republic may not exercise such right during the final
six months of the presidential term, unless said period coincides in full or
in part with the final six months of Parliament.

Art. 89

A writ of the President of the Republic shall not be valid unless signed by
the proposing Minister, who shall be accountable for it.
A writ having force of law and other writs issued by virtue of a law shall
be countersigned by the President of the Council of Ministers.

Art. 90

The President of the Republic is not responsible for the actions performed
in the exercise of presidential duties, except in the case of high treason or
violation of the Constitution.
In such cases, the President may be impeached by Parliament in joint
session, with an absolute majority of its members.


Before taking office, the President of the Republic shall take an oath of
allegiance to the Republic and pledge to uphold the Constitution before
Parliament in joint session.

TITLE III
THE GOVERNMENT

Section I

The Council of Ministers

Art. 92

The Government of the Republic is made up of the President of the
Council and the Ministers who together form the Council of Ministers.
The President of the Republic appoints the President of the Council of
Ministers and, on his proposal, the Ministers.

Art. 93

Before taking office, the President of the Council of Ministers and the
Ministers shall be sworn in by the President of the Republic.

Art. 94

The Government must receive the confidence of both Houses of
Parliament.
Each House grants or withdraws its confidence through a reasoned motion
voted on by roll-call.
Within ten days of its formation the Government shall come before
Parliament to obtain confidence.
An opposing vote by one or both the Houses against a Government
proposal does not entail the obligation to resign.
A motion of no-confidence must be signed by at least one-tenth of the
members of the House and cannot be debated earlier than three days from
its presentation.

Art. 95

The President of the Council conducts and holds responsibility for the
general policy of the Government.
The President of the Council ensures the coherence of political and
administrative policies, by promoting and co-ordinating the activity of the
Ministers.


The Ministers are collectively responsible for the acts of the Council of
Ministers; they are individually responsible for the acts of their own
ministries.
The law establishes the organisation of the Presidency of the Council, as well
as the number, competence and organisation of the ministries.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18

Re: Storia d’Italia 1850-1945.

Berichtdoor Tandorini » 13 feb 2011, 19:27

Art. 96

The President of the Council of Ministers and the Ministers, even if they
resign from office, are subject to normal justice for crimes committed in the
exercise of their duties, provided authorisation is given by the Senate of the
Republic or the Chamber of Deputies, in accordance with the norms
established by Constitutional Law.

Section II

Public Administration

Art. 97

Public offices are organised according to the provisions of law, so as to ensure
the efficiency and impartiality of administration.
The regulations of the offices lay down the areas of competence, the duties
and the responsibilities of the officials.
Employment in public administration is accessed through competitive
examinations, except in the cases established by law.

Art. 98

Civil servants are exclusively at the service of the Nation.
If they are Members of Parliament, they may not be promoted in their
services, except through seniority.
The law may set limitations on the right to become members of political
parties in the case of magistrates, career military staff in active service, law
enforcement officers, and overseas diplomatic and consular representatives.

Section III

Auxiliary Bodies

Art. 99

The National Council for Economics and Labour is composed, as set out
by law, of experts and representatives of the economic categories, in such


a proportion as to take account of their numerical and qualitative
importance.
It serves as a consultative body for Parliament and the Government on
those matters and those functions attributed to it by law.
It can initiate legislation and may contribute to drafting economic and
social legislation according to the principles and within the limitations laid
out by law.

Art. 100

The Council of State is a legal-administrative consultative body and it
oversees the administration of justice.
The Court of Accounts exercises preventive control over the legitimacy of
Government measures, and also ex-post auditing of the administration of
the State Budget. It participates, in the cases and ways established by law,
in auditing the financial management of the entities receiving regular
budgetary support from the State. It reports directly to Parliament on the
results of audits performed.
The law ensures the independence from the Government of the two bodies
and of their members.

TITLE IV
THE JUDICAL BRANCH

Section I

The Organisation of the Judiciary

Art. 101

Justice is administered in the name of the people.
Judges are subject only to the law.

Art. 102

Judicial proceedings are exercised by ordinary magistrates empowered and
regulated by the provisions concerning the Judiciary.
Extraordinary or special judges may not be established. Only specialised
sections for specific matters within the ordinary judicial bodies may be
established, and these sections may include the participation of qualified
citizens who are not members of the Judiciary.
The law regulates the cases and forms of the direct participation of the
people in the administration of justice.


The Council of State and the other bodies of judicial administration have
jurisdiction over the protection of legitimate rights before the public
administration and, in particular matters laid out by law, also of subjective
rights.
The Court of Accounts has jurisdiction in matters of public accounts and
in other matters laid out by law.
Military tribunals in times of war have the jurisdiction established by law.
In times of peace they have jurisdiction only for military crimes committed
by members of the armed forces.

Art. 104

The Judiciary is a branch that is autonomous and independent of all other
powers.
The High Council of the Judiciary is presided over by the President of the
Republic.
The first president and the general prosecutor of the Court of Cassation are
members by right.
Two thirds of the members are elected by all the ordinary judges belonging
to the various categories, and one third are elected by Parliament in joint
session from among university professors of law and lawyers with fifteen
years of practice.
The Council elects a vice-president from among those members designated
by Parliament.
Elected members of the Council remain in office for four years and cannot
be immediately re-elected.
They may not, while in office, be registered in professional rolls, nor serve
in Parliament or on a Regional Council.

Art. 105

The High Council of the Judiciary, in accordance with the regulations of
the Judiciary, has jurisdiction for employment, assignments and transfers,
promotions and disciplinary measures of judges.

Art. 106

Judges are appointed through competitive examinations.
The law on the regulations of the Judiciary allows the appointment, also by
election, of honorary judges for all the functions performed by single
judges.


Following a proposal by the High Council of the Judiciary, university
professors of law and lawyers with fifteen years of practice and registered
in the special professional rolls for the higher courts may be appointed for
their outstanding merits as Cassation councillors.

Art. 107

Judges may not be removed from office; they may not be dismissed or
suspended from office or assigned to other courts or functions unless by a
decision of the High Council of the Judiciary, taken either for the reasons
and with the guarantees of defence established by the provisions
concerning the organisation of Judiciary or with the consent of the judges
themselves.
The Minister of Justice has the power to originate disciplinary action.
Judges are distinguished only by their different functions.
The state prosecutor enjoys the guarantees established in the prosecutor’s
favour by the provisions concerning the organisation of the Judiciary.

Art. 108

The provisions concerning the organisation of the Judiciary and the judges
are laid out by law.
The law ensures the independence of judges of special courts, of state
prosecutors of those courts, and of other persons participating in the
administration of justice.

Art. 109

The legal authorities have direct use of the judicial police.

Art. 110

Without prejudice to the authority of the High Council of the Judiciary, the
Minister of Justice has responsibility for the organisation and functioning
of those services involved with justice.

Section II

Rules on Jurisdiction

Art. 111


Jurisdiction is implemented through due process regulated by law.
All court trials are conducted with adversary proceedings and the parties



are entitled to equal conditions before an impartial judge in third party
position. The law provides for the reasonable duration of trials.
In criminal law trials, the law provides that the alleged offender shall be
promptly informed confidentially of the nature and reasons for the charges
that are brought and shall have adequate time and conditions to prepare a
defence. The defendant shall have the right to cross-examine or to have
cross-examined before a judge the persons making accusations and to
summon and examine persons for the defence in the same conditions as the
prosecution, as well as the right to produce all other evidence in favour of
the defence. The defendant is entitled to the assistance of an interpreter in
the case that he or she does not speak or understand the language in which
the court proceedings are conducted.
In criminal law proceedings, the formation of evidence is based on the
principle of adversary hearings. The guilt of the defendant cannot be
established on the basis of statements by persons who, out of their own free
choice, have always voluntarily avoided undergoing cross-examination by
the defendant or the defence counsel.
The law regulates the cases in which the formation of evidence does not
occur in an adversary proceeding with the consent of the defendant or
owing to reasons of ascertained objective impossibility or proven illicit
conduct.
All judicial decisions shall include a statement of reasons.
Appeals to the Court of Cassation in cases of violations of the law are
always allowed against sentences and against measures affecting personal
freedom pronounced by ordinary and special courts. This rule can only be
waived in cases of sentences by military tribunals in time of war.
Appeals to the Court of Cassation against decisions of the Council of State
and the Court of Accounts are permitted only for reasons of jurisdiction.

Art. 112

The public prosecutor has the obligation to institute criminal proceedings.

Art. 113

The judicial safeguarding of rights and legitimate interests before the
bodies of ordinary or administrative justice is always permitted against
acts of the public administration.
Such judicial protection may not be excluded or limited to particular kinds
of appeal or for particular categories of acts.
The law determines which judicial bodies are empowered to annul acts of
public administration in the cases and with the consequences provided for
by the law itself.


Art. 114

The Republic is composed of the Municipalities, the Provinces, the
Metropolitan Cities, the Regions and the State. Municipalities, provinces,
metropolitan cities and regions are autonomous entities having their own
statutes, powers and functions in accordance with the principles laid down in
the Constitution.
Rome is the capital of the Republic. Its status is regulated by State Law.

Art. 115

(Repealed)

Art. 116


Friuli-Venezia Giulia, Sardinia, Sicily, Trentino-Alto Adige/Südtirol and Valle
d’Aosta/Vallée d’Aoste have special forms and conditions of autonomy
pursuant to the special statutes adopted by constitutional law.
The Trentino-Alto Adige/Südtirol Region is composed of the autonomous
provinces of Trent and Bolzano.
Additional special forms and conditions of autonomy, related to the areas
specified in art. 117, paragraph three and paragraph two, letter l) - limited to
the organisational requirements of the Justice of the Peace - and letters n) and
s), may be attributed to other Regions by State Law, upon the initiative of the
Region concerned, after consultation with the local authorities, in compliance
with the principles set forth in art. 119. Said Law is approved by both Houses
of Parliament with the absolute majority of their members, on the basis of an
agreement between the State and the Region concerned.


Art. 117


Legislative powers shall be vested in the State and the Regions in compliance
with the Constitution and with the constraints deriving from EU legislation
and international obligations.
The State has exclusive legislative powers in the following matters:
a) foreign policy and international relations of the State; relations between


the State and the European Union; right of asylum and legal status of non-

EU citizens;
b) immigration;
c) relations between the Republic and religious denominations;


d) defence and armed forces; State security; armaments, ammunition and
explosives;

e) the currency, savings protection and financial markets; competition
protection; foreign exchange system; state taxation and accounting
systems; equalisation of financial resources;

f) state bodies and relevant electoral laws; state referenda; elections to the
European Parliament;
g) legal and administrative organisation of the State and of national public
agencies;
h) public order and security, with the exception of local administrative

police;
i) citizenship, civil status and register offices;
l) jurisdiction and procedural law; civil and criminal law; administrative

judicial system;
m) determination of the basic level of benefits relating to civil and social

entitlements to be guaranteed throughout the national territory;
n) general provisions on education;
o) social security;
p) electoral legislation, governing bodies and fundamental functions of

the Municipalities, Provinces and Metropolitan Cities;
q) customs, protection of national borders and international prophylaxis;
r) weights and measures; standard time; statistical and computerised co


ordination of data of state, regional and local administrations; works of

the intellect;
s) protection of the environment, the ecosystem and cultural heritage.
Concurring legislation applies to the following subject matters:
international and EU relations of the Regions; foreign trade; job
protection and safety; education, subject to the autonomy of educational
institutions and with the exception of vocational education and training;
professions; scientific and technological research and innovation support
for productive sectors; health protection; nutrition; sports; disaster relief;
land-use planning; civil ports and airports; large transport and navigation
networks; communications; national production, transport and
distribution of energy; complementary and supplementary social security;
harmonisation of public accounts and co-ordination of public finance and
taxation system; enhancement of cultural and environmental properties,
including the promotion and organisation of cultural activities; savings
banks, rural banks, regional credit institutions; regional land and
agricultural credit institutions. In the subject matters covered by
concurring legislation legislative powers are vested in the Regions, except
for the determination of the fundamental principles, which are laid down
in State legislation.


The Regions have legislative powers in all subject matters that are not
expressly covered by State legislation.
The Regions and the autonomous provinces of Trent and Bolzano take part in
preparatory decision-making process of EU legislative acts in the areas that
fall within their responsibilities. They are also responsible for the
implementation of international agreements and EU measures, subject to the
rules set out in State law which regulate the exercise of subsidiary powers by
the State in the case of non-performance by the Regions and autonomous
provinces.
Regulatory powers shall be vested in the State with respect to the subject
matters of exclusive legislation, subject to any delegations of such powers to
the Regions. Regulatory powers shall be vested in the Regions in all other
subject matters. Municipalities, provinces and metropolitan cities have
regulatory powers as to the organisation and implementation of the functions
attributed to them.
Regional laws shall remove any hindrances to the full equality of men and
women in social, cultural and economic life and promote equal access to
elected offices for men and women.
Agreements between a Region and other Regions that aim at improving the
performance of regional functions and that may also envisage the
establishment of joint bodies shall be ratified by regional law.
In the areas falling within their responsibilities, Regions may enter into
agreements with foreign States and local authorities of other States in the
cases and according to the forms laid down by State legislation.

Art. 118

Administrative functions are attributed to the Municipalities, unless they are
attributed to the provinces, metropolitan cities and regions or to the State,
pursuant to the principles of subsidiarity, differentiation and proportionality,
to ensure their uniform implementation.
Municipalities, provinces and metropolitan cities carry out administrative
functions of their own as well as the functions assigned to them by State or
by regional legislation, according to their respective competences.
State legislation shall provide for co-ordinated action between the State and
the Regions in the subject matters as per Article 117, paragraph two, letters b)
and h), and also provide for agreements and co-ordinated action in the field
of cultural heritage preservation.
The State, regions, metropolitan cities, provinces and municipalities shall
promote the autonomous initiatives of citizens, both as individuals and as
members of associations, relating to activities of general interest, on the basis
of the principle of subsidiarity.


Municipalities, provinces, metropolitan cities and regions shall have
revenue and expenditure autonomy.
Municipalities, provinces, metropolitan cities and regions shall have
independent financial resources. They set and levy taxes and collect
revenues of their own, in compliance with the Constitution and according
to the principles of co-ordination of State finances and the tax system.
They share in the tax revenues related to their respective territories.
State legislation shall provide for an equalisation fund - with no allocation
constraints - for the territories having lower per-capita taxable capacity.
Revenues raised from the above-mentioned sources shall enable
municipalities, provinces, metropolitan cities and regions to fully finance
the public functions attributed to them.
The State shall allocate supplementary resources and adopt special
measures in favour of specific municipalities, provinces, metropolitan
cities and regions to promote economic development along with social
cohesion and solidarity, to reduce economic and social imbalances, to
foster the exercise of the rights of the person or to achieve goals other than
those pursued in the ordinary implementation of their functions.
Municipalities, provinces, metropolitan cities and regions have their own
properties, which are allocated to them pursuant to general principles laid
down in State legislation. They may resort to indebtedness only as a means
of funding investments. State guarantees on loans contracted for this
purpose are not admissible.

Art. 120

Regions may not levy import or export or transit duties between Regions
or adopt measures that in any way obstruct the freedom of movement of
persons or goods between Regions. Regions may not limit the right of
citizens to work in any part whatsoever of the national territory.
The Government can act for bodies of the regions, metropolitan cities,
provinces and municipalities if the latter fail to comply with international
rules and treaties or EU legislation, or in the case of grave danger for
public safety and security, or whenever such action is necessary to preserve
legal or economic unity and in particular to guarantee the basic level of
benefits relating to civil and social entitlements, regardless of the
geographic borders of local authorities. The law shall lay down the
procedures to ensure that subsidiary powers are exercised in compliance
with the principles of subsidiarity and loyal co-operation.

Art. 121

The bodies of the Region are: the Regional Council, the Regional
Executive and its President.


The Regional Council shall exercise the legislative powers attributed to the
Region as well as the other functions conferred by the Constitution and the
laws. It may submit bills to Parliament.
The Regional Executive is the executive body of the Region.
The President of the Executive represents the Region, directs the policy-
making of the Executive and is responsible for it, promulgates laws and
regional statutes, directs the administrative functions delegated to the Region
by the State, in conformity with the instructions of the Government of the
Republic.

Art. 122

The electoral system and the cases of ineligibility and incompatibility of the
President, the other members of the Regional Executive and the Regional
councillors shall be established by a regional law in accordance with the
fundamental principles established by a law of the Republic, which also
establishes the term of elective offices.
No one may belong at the same time to a Regional Council or to a Regional
Executive and to either House of Parliament, another Regional Council, or the
European Parliament.
The Council shall elect a President and a Bureau from amongst its members.
Regional councillors are unaccountable for the opinions expressed and votes
cast in the exercise of their functions.
The President of the Regional Executive shall be elected by universal and
direct suffrage, unless the regional statute provides otherwise. The elected
President shall appoint and dismiss the members of the Executive.

Art. 123

Each Region shall have a statute which, in compliance with the Constitution,
shall lay down the form of government and basic principles for the
organisation of the Region and the conduct of its business. The statute shall
regulate the right to initiate legislation and promote referenda on the laws and
administrative measures of the Region as well as the publication of laws and
of regional regulations.
Regional statutes are adopted and amended by the Regional Council with a
law approved by an absolute majority of its members, with two subsequent
deliberations at an interval of not less than two months. This law does not
require the approval of the Government commissioner. The Government of
the Republic may submit the constitutional legitimacy of the regional statutes
to the Constitutional Court within thirty days of their publication.
The statute is submitted to popular referendum if one-fiftieth of the electors
of the Region or one-fifth of the members of the Regional Council so request
within three months from its publication. The statute that is submitted to


referendum is not promulgated if it is not approved by the majority of valid
votes.
In each Region, statutes regulate the activity of the Council of local authorities
as a consultative body on relations between the Regions and local authorities.

Art. 124

(Repealed)

Art. 125

Administrative tribunals of the first instance shall be established in the
Region, in accordance with the rules established by the law of the Republic.
Sections may be established in places other than the regional capital.

Art. 126

The Regional Council may be dissolved and the President of the Executive
may be removed with a reasoned decree of the President of the Republic in
the case of acts in contrast with the Constitution or grave violations of the law.
The dissolution or removal may also be decided for reasons of national
security. Such decree is adopted after consultation with a committee of
Deputies and Senators for regional affairs which is set up in the manner
established by a law of the Republic.
The Regional Council may adopt a reasoned motion of no confidence against
the President of the Executive that is undersigned by at least one-fifth of its
members and adopted by roll call vote with an absolute majority of members.
The motion may not be debated before three days have elapsed since its
introduction.
The adoption of a no confidence motion against a President of the Executive
elected by universal and direct suffrage, and the removal, permanent inability,
death or voluntary resignation of the President of the Executive entail the
resignation of the Executive and the dissolution of the Council. The same
effects are produced by the simultaneous resignation of the majority of the
Council members.

Art. 127

The Government may question the constitutional legitimacy of a regional law
before the Constitutional Court within sixty days from its publication, when
it deems that the regional law exceeds the competence of the Region.
A Region may question the constitutional legitimacy of a State or regional
law or measure having the force of law before the Constitutional Court within


Art. 128

(Repealed)

Art. 129

(Repealed)

Art. 130

(Repealed)

Art. 131


The following Regions shall be established:
Piedmont;
Valle d’Aosta;
Lombardy;
Trentino-Alto Adige;
Veneto;
Friuli-Venezia Giulia;
Liguria;
Emilia-Romagna;
Tuscany;
Umbria;
The Marches;
Latium;
Abruzzi;
Molise;
Campania;
Apulia;
Basilicata;
Calabria;
Sicily;
Sardinia.


Art. 132


By a constitutional law, after consultation with the Regional Councils, a
merger between existing Regions or the creation of new Regions having a
minimum of one million inhabitants may be agreed, when such request has
been made by a number of Municipal Councils representing not less than one




third of the populations involved, and the request has been approved by
referendum by a majority of said populations.
The Provinces and Municipalities which request to be detached from a
Region and incorporated in another may be allowed to do so, following a
referendum and a law of the Republic, which obtains the majority of the
populations of the Province or Provinces and of the Municipality or
Municipalities concerned, and after having heard the Regional Councils.

Art. 133

Changes in provincial boundaries and the institution of new Provinces within
a Region are regulated by the laws of the Republic, on the initiative of the
Municipalities, after consultation with the Region.
The Region, after consultation with the populations involved, may establish
through its laws new Municipalities within its own territory and modify their
districts and names.

TITLE VI
CONSTITUTIONAL GUARANTEES

Section I

The Constitutional Court

Art. 134

The Constitutional Court shall pass judgement on:

– controversies on the constitutional legitimacy of laws and enactments
having force of law issued by the State and Regions;
– conflicts arising from allocation of powers of the State and those powers
allocated to State and Regions, and between Regions;
– charges brought against the President of the Republic and the Ministers,
according to the provisions of the Constitution.


Art. 135

The Constitutional Court shall be composed of fifteen judges, a third
nominated by the President of the Republic, a third by Parliament in joint
sitting and a third by the ordinary and administrative supreme Courts.
The judges of the Constitutional Courts shall be chosen from among judges,
including those retired, of the ordinary and administrative higher Courts,
university professors of law and lawyers with at least twenty years practice.


Judges of the Constitutional Court shall be appointed for nine years,
beginning in each case from the day of their swearing in, and they may not be
re-appointed.
At the expiry of their term, the constitutional judges shall leave office and the
exercise of the functions thereof.
The Court shall elect from among its members, in accordance with the rules
established by law, a President, who shall remain in office for three years and
may be re-elected, respecting in all cases the expiry term for constitutional
judges.
The office of constitutional judge shall be incompatible with membership of
Parliament, of a Regional Council, the practice of the legal profession, and
with every appointment and office indicated by law.
In impeachment procedures against the President of the Republic, in addition
to the ordinary judges of the Court, there shall also be sixteen members
chosen by lot from among a list of citizens having the qualification necessary
for election to the Senate, which the Parliament prepares every nine years
through election using the same procedures as those followed in appointing
ordinary judges.

Art. 136

When the Court declares the constitutional illegitimacy of a law or enactment
having force of law, the law ceases to have effect the day following the
publication of the decision.
The decision of the Court shall be published and communicated to Parliament
and the Regional Councils concerned, so that, wherever they deem it
necessary, they shall act in conformity with constitutional procedures.

Art. 137

A constitutional law shall establish the conditions, forms, terms for proposing
judgements on constitutional legitimacy, and guarantees on the independence
of constitutional judges.
Ordinary laws shall establish the other provisions necessary for the
constitution and the functioning of the Court.
No appeals are allowed against the decision of the Constitutional Court.

Section II

Amendments to the Constitution. Constitutional Laws

Art. 138

Laws amending the Constitution and other constitutional laws shall be
adopted by each House after two successive debates at intervals of not less


than three months, and shall be approved by an absolute majority of the
members of each House in the second voting.
Said laws are submitted to a popular referendum when, within three months
of their publication, such request is made by one-fifth of the members of a
House or five hundred thousand voters or five Regional Councils. The law
submitted to referendum shall not be promulgated if not approved by a
majority of valid votes.
A referendum shall not be held if the law has been approved in the second
voting by each of the Houses by a majority of two-thirds of the members.

Art. 139

The form of Republic shall not be a matter for constitutional amendment.

TRANSITIONAL AND FINAL PROVISIONS

I

With the implementation of the Constitution the provisional Head of the State
shall exercise the functions of President of the Republic and assume that title.

II

If, at the date of the election of the President of the Republic, all the Regional
Councils have not been set up, only members of the two Houses shall
participate in the election.

III

For the first composition of the Senate of the Republic, Deputies to the
Constituent Assembly who possess all the requisites by law to be Senators
and who:

– had been Presidents of the Council of Ministers or of legislative
Assemblies;
– had been members of the dissolved Senate; had been elected at least three
times including to the Constituent Assembly;
– had been dismissed at the sitting of the Chamber of Deputies of 9
November 1926;
– had been imprisoned for not less than five years by a sentence of the special
Fascist tribunal for the defence of the State;
– shall be appointed Senators.


39


Those also shall be appointed Senators, by decree of the President of the
Republic, who had been members of the dissolved Senate and who had been
members of the Consulta Nazionale.
The right to be appointed Senator may be renounced before signing of the
decree of appointment. Acceptance of candidacy in political elections shall
constitute renunciation of the right to be appointed Senator.

IV

For the first election of the Senate Molise shall be considered a Region in
itself, having the due number of Senators on the basis of its population.

V

The provisions of Article 80 of the Constitution on the question of
international treaties which involve budget expenditures or changes in the
law, shall become effective as from the date of convocation of Parliament.

VI

Within five years after the Constitution has come into effect the special
jurisdictional bodies still in existence shall be revised, excluding the
jurisdiction of the Council of State, the Court of Accounts, and the military
tribunals.
Within a year of the same date, a law shall provide for the re-organisation
of the Supreme Military Tribunal according to Article 111.

VII

Until such time as the new law on the Judiciary in accordance with the
Constitution has been issued, the provisions in force shall continue to be
observed. Until such time as the Constitutional Court begins its functions,
the decision on controversies indicated in Article 134 shall be conducted in
the forms and within the limits of the provisions already in existence
before the implementation of the Constitution.

VIII

Elections of the Regional Councils and the elected bodies of provincial
administration shall be called within one year of the implementation of the
Constitution.
The laws of the Republic shall regulate for every branch of public
administration the passage of the state functions attributed to the Regions.
Until such time as the re-organisation and re-distribution of the
administrative functions among the local bodies has been accomplished,

40


the Provinces and the Municipalities shall retain those functions they
presently exercise and those others which the Regions may delegate to
them.
Laws of the Republic shall regulate the transfer to the Regions of officials and
employees of the State, including those from central administrations, which
shall be made necessary by the new provisions. In setting up their offices the
Regions shall, except in cases of necessity, draw their personnel from among
the employees of State local bodies.

IX

The Republic, within three years of the implementation of the Constitution,
shall adjust its laws to the needs of local autonomies and the legislative
jurisdiction attributed to the Regions.

X

The general provisions of Title V of the Second Part of this Constitution shall
temporarily apply to the Region of Friuli-Venezia Giulia, as per Article 116,
without prejudice to the protection of linguistic minorities in accordance with
Article 6.

XI

Up to five years after the implementation of the Constitution other Regions
may be established by constitutional laws, thus amending the list in Article
131, and without the conditions required under the first paragraph of Article
132, without prejudice, however, to the obligation to consult the peoples
concerned.

XII

It shall be forbidden to reorganise, under any form whatsoever, the dissolved
Fascist party.
Notwithstanding Article 48, the law has established, for not more than five
years from the implementation of the Constitution, temporary limitations to
the right to vote and eligibility for the leaders responsible for the Fascist
regime.

XIII

The members and descendants of the House of Savoy shall not be voters and
may not hold public office or elected offices.
Access and sojourn in the national territory shall be forbidden to the ex-kings
of the House of Savoy, their spouses and their male descendants.

41


took place after 2 June 1946, shall be null and void. (*)
(*) Constitutional law no. 1 of 23 October 2002 has established that the first and second
paragraphs of the 13th transitional and final provision of the Constitution cease to be applicable
as of the date of the entry into force of said Constitutional law (10 November 2002).
XIV
The place-names included in those existing before 28 October 1922 shall
serve as part of the name.
The Order of Saint Mauritius shall be preserved as a hospital corporation
The law shall regulate the suppression of the Heraldic Council.
XV
Lieutenant of the Realm No. 151 of 25 June 1944 on the provisional
XVI
co-ordination therewith of previous constitutional laws which had not at
that moment been explicitly or implicitly abrogated shall begin.
XVII
31 January 1948, on the law for the election of the Senate of the Republic,
special regional statues and the law governing the press.
Until the day of the election of the new Parliament, the Constituent
Assembly may be convened, when it is necessary to decide on matters
Article 3, paragraphs one and two, of legislative decree No. 98 of 16
March 1946.
At that time the Standing Committees shall maintain their functions.
Legislative Committees shall send back to the Government those bills,
submitted to them, with their observations and proposals for amendments.
Deputies may present questions to the Government with request for written
answers.
The assets, existing on national territory, of the former kings of the House of
Savoy, their spouses and their male descendants shall be transferred to the
State. Transfers and the establishment of royal rights on said properties which
Titles of nobility shall not be recognised.
and shall function in the ways established by law.
With the entry into force of the Constitution, the legislative decree of the
organisation of the State shall become law.
Within one year of the entry into force of the Constitution, the revision and
The Constituent Assembly shall be called by its President to decide, before
attributed to its jurisdiction by Article 2, paragraphs one and two, and


Assembly shall be called by its President following reasoned request of the
Government or at least two hundred Deputies.
XVIII
This Constitution shall be promulgated by the provisional Head of State
into force on 1 January 1948.
Municipality of the Republic and there made public, for the whole of 1948,
so as to allow every citizen to know of it.
Records of the laws and decrees of the Republic.
The Constitution must be faithfully observed as the fundamental law of the
Republic by all citizens and bodies of the State.
th Day of December 1947
ENRICO DE NICOLA
COUNTERSIGNED
ALCIDE DE GASPERI
GIUSEPPE GRASSI
In accordance with the second paragraph of this Article, the Constituent
within five days of its approval by the Constituent Assembly and shall come
The text of the Constitution shall be deposited in the Town Hall of every
The Constitution, bearing the seal of the State, shall be included in the Official
Given in Rome on this 27The President of the Constituent Assembly
UMBERTO TERRACINI
The President of the Council of Ministers
The Keeper of the Seal
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18


Keer terug naar Het Italiaanse leger.

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast

cron