Belgen in Nederlands-Indie

Moderators: Messalina, Tandorini

Belgen in Nederlands-Indie

Berichtdoor Grootlo » 27 mei 2011, 12:55

[img][/img]Dat de Nederlanders tussen 1600 en 1950 er in hun voormalige kolonie Indonesië er een leger op na hielden zal wel bekend zijn, maar dat in dat zelfde leger ongeveer 24300 Belgen gediend hebben is amper nog geweten. Nochtans was het Belgische contingent na de Nederlanders het grootste.



De eerste periode de tijd van de V.O.C. van 1602-1798
Deze periode was het tijdvak van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Na de oprichting verkreeg zij het monopolie om voorbij de Kaap de Goede Hoop handel te drijven in Azië. De compagnie kreeg ook het recht om daar, tot het behoud van het handelsmonopolie, oorlog te voeren en namens de Republiek verdragen te sluiten met inheemse vorsten. In de gebieden waar ze waren gevestigd mochten ze ook besturen en rechtspreken. Hierdoor waren ze een soort semioverheidsbedrijf, formeel maar ook in de praktijk sterk gebonden aan de Staten-Generaal, het algemene regeringsorgaan van de Republiek. Hun octrooi gold voor eenentwintig jaar en moest telkens opnieuw worden verlengd.
Steven van der Hagene In 1603 voer onder eerste volledig uitgeruste vloot uit, die al spoedig in conflict kwam met de Portugezen. Om de handel beter te organiseren, werd besloten een centrale leiding in te stellen onder een Gouverneur-generaal. Tevens werd er naar een centrale plaats gezocht die kon dienen als opslagplaats en als "rendez-vous" voor de schepen. Onder Gouverneur-generaal J.P. Coen werd het huidige Jakarta uitgekozen en werd die plaats in 1619 omgedoopt in Batavia, een verwijzing naar de Batavieren, die in die tijd beschouwd werden als voorvaderen van de nog jonge Nederlandse natie.Ten slotte kreeg de VOC van de aandeelhouders en bewindvoerders één opdracht mee: het verkrijgen van het specerijenmonopolie. De VOC ontwrichtte zo de bestaande insulaire handel, die vooral in handen was van Javaanse, Chinese en Arabische handelaars. Ze monopoliseerde de handel door contracten te sluiten met de lokale vorsten, waarin dit privilege werd vastgelegd. De vorsten hadden op hun beurt weer het monopolie op de handel in het gebied waarover zij heersten. Om haar monopolie te handhaven richtte de VOC factorijen op en kocht ze de volledige jaaropbrengst in van een bepaalde specerij. Die werd vervolgens in de factorijen bewaard, zodat de markt niet in een keer overspoeld zou worden en de prijs beter kon worden beheerst.
De archipel van het voormalige Nederlands-Indië was niet één homogeen geheel maar bestond uit eilanden en eilandengroepen die onderling zeer van elkaar verschilden. De Nederlanders concentreerden zich in de 17e en 18e eeuw vooral op de Molukken en Java. Op de Midden-Molukken werden voornamelijk kruidnagels geteeld. De VOC sloot, zoals hierboven is beschreven, contracten met de lokale hoofden en betaalde met rijst, textiel en wapens.
Om de productie te beheersen en het smokkelen tegen te gaan concentreerden zij de handel zoveel mogelijk op één eiland. Daarom werden op de andere eilanden de bomen omgezaagd. Daarnaast werd de Dati (familie in uitgebreide zin) verplicht een aantal kruidnagelbomen per jaar te planten en de productie aan de VOC te leveren. Hierdoor waren de leden van de Dati gebonden aan werk en grond.
Op de Banda-eilanden waar vooral nootmuskaat en foelie werden verbouwd, vestigde de VOC haar gezag met bruut geweld. De macht van de hoofden was hier niet zo groot, zodat de VOC de handel niet kon beheersen via de lokale elite. In 1609 werden de Bandoes wel traktaten opgelegd, maar die werden ontdoken via sluikhandel en smokkelpraktijken. Na schermutselingen in 1609 stelden de Nederlanders de eis een vesting te mogen bouwen op Banda, de Nederlandse onderhandelingsdelegatie werd hierop vermoord door de Bandanezen. Vervolgens besloot Gouverneur-Generaal Jan Pieterszoon Coen tot volledige onderwerping van de Bandanezen. De Bandanezen kwamen in opstand en daarom werden ze in 1621 uitgemoord door de VOC onder leiding van Coen. De overlevenden bracht Coen naar Java, waarna hij op de ontvolkte eilanden de eerste moderne plantages inrichtte, gebaseerd op slavenarbeid. Oud VOC-werknemers mochten de perken (plantages) beheren. Voedsel en slaven werden geleverd door de VOC, die het alleenrecht behield om de specerijen voor een lage prijs van de perkeniers te kopen. Door dit optreden van de VOC daalde de productie op de Molukken met 70%. De productiedaling ging gepaard met een consumptiedaling terwijl het hele sociaal-economische systeem was ontwricht. Daarnaast was het sterftecijfer hoger dan het geboortecijfer waardoor er een constante vraag naar slaven was.
Op het eiland Java was de situatie anders. Toen de VOC er zich vestigde was het land verdeeld in een groot agrarisch binnenland met gesloten, naar eigen behoefte producerende dorpen die onder centraal gezag stonden van lokale vorsten die het monopolie hadden op de handel van het productie-overschot. Daarnaast waren er de handeldrijvende havenplaatsen, waar veel Oosterse vreemdelingen woonden. Op Java kon de VOC veel makkelijker monopolies afdwingen dan op de Molukken. Ze wist handig gebruik te maken van de twisten tussen de inheemse vorsten door één vorst te helpen tegen een andere, in ruil voor handelsvoordelen en monopolies.
Doordat de vorst zijn vrijheid betreffende de handelspolitiek had prijs gegeven, was vanzelf een verhouding van afhankelijkheid ontstaan, die zich ontwikkelde tot ondergeschiktheid. Zo veranderde geleidelijk, aan het eind van de 17e eeuw vanuit Batavia, het overwicht over de kuststaatjes in territoriaal gezag. Dit ging samen met een gedeeltelijke verandering in de wijze waarop zij haar inkomsten verkreeg. Naast de traditionele handelswinsten kwamen de gedwongen leveringen (vorst moet verplicht een bepaald product aan de VOC leveren tegen een overeengekomen prijs) en contingenten (soort belasting in natura). Het verschil tussen de vrijhandel met de Javaanse vorsten en de gedwongen leveringen was niet zo groot. Beide werden afgedwongen onder de druk en bescherming van de kanonnen en geweren van de Compagnie. Door het monopolie werd de inheemse groothandel onderdrukt en toen de verplichte leveringen aan het eind van de 17e eeuw hun intrede hadden gedaan, moest de desa's, die tot dan toe alleen voor eigen gebruik en voor de hoofden hadden hoeven te produceren, voortaan ook voor de compagnie produceren. In ruil daarvoor zorgde de VOC voor vrede.
Elders op de archipel vormde de compagnie een minder geduchte macht. Op Noord-Sumatra sloot de Compagnie in 1641 pepercontracten met Atjeh, Palembang en Jambi maar die waren niet zo dwingend als de hierboven beschreven contracten. Bovendien moest er met zilver worden betaald. Na 1680 ging de intra-Aziatische handel, die lange tijd zeer winstgevend was geweest, verlies op leveren. De handel binnen Azië had de compagnie altijd een groot deel van de middelen verschaft, het textiel, waarop haar Aziatische bedrijf de inkoop van de retourgoederen dreef. Nu moest steeds meer baar geld worden aangevoerd.
De territoriale uitbreiding en voortdurende oorlogen overzee aan het eind van de 17e eeuw deden de kosten voor de VOC in Azië hoog oplopen. Na 1686, met als uitzondering 1691/92, werd ieder jaar met verlies afgesloten. In de 18e eeuw ging het weer iets beter. In 1720 werd er nog 20% dividend uitgekeerd.
Na 1740 ging de Compagnie zich in Azië concentreren op de Indonesische archipel, waar op Java zelfs in zekere mate sprake was van rechtstreekse penetratie. Op de Noordoostkust van Java en in het gebied rond Batavia werden de koffiecultuur en de suikeraanplant uitgebreid. Ook was er sprake van militaire expansie: In 1743 werd Mataram voor de VOC verworven.
De Compagnie behield haar monopolie op de "geruime vier": nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel. Zij beheersten hiervan de productie en de prijs. Het eerste via het omzagen en weer aanplanten van bomen, het tweede via een Monopolie. Wat vaak vergeten wordt is dat men zich ook bezig hield met papaverteelt ter verkrijging van opium. Opium was een legaal product waarnaar wereldwijd grote vraag was. De productiemethoden en de manier waarop de VOC het gebied beheerste, veranderden nauwelijks.
Een schrijver over de Compagnie heeft ooit gezegd dat dit handelslichaam geen geschiedenis heeft. De bestuurders der VOC hebben hun hele bestaan op één en dezelfde manier gestreefd naar het bereiken van hun doel, het maken van handelswinst door angstvallig vast te houden aan hun monopolie. Na de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog volgt een chaotische periode in de koloniën.
Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654)
Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667)
Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674)
Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784)
Na de opheffing van de VOC in 1798 gingen de koloniën op de toenmalige Bataafse Republiek over.
De Bataafse Republiek werd na de Bataafse Revolutie uitgeroepen op 19 januari 1795, één dag nadat erfstadhouder Willem V naar Engeland was gevlucht. Het grondgebied was gelijk aan dat van de gewesten van de voormalige Republiek der Zeven Verenigde provinciën

De Bataafse Republiek (1795–1801) (in de toenmalige spelling Bataafsche Republiek)
Was een republiek die het grootste gedeelte van het huidige Nederland omvatte. De republiek was gevormd naar voorbeeld en met militaire steun van de Franse Republiek, waarvan de Bataafse Republiek een bondgenoot en de facto een vazalstaat was. Deze steun werd duur betaald: de Republiek moest tientallen miljoenen guldens betalen voor de Franse troepen die in Nederland gelegerd werden (Verdrag van Den Haag). Ook later bleek de 'coalitie' met Frankrijk nogal eenzijdig. In hun strijd tegen de Engelsen en bij daarop volgende vredesonderhandelingen waren de Fransen maar al te graag bereid om in ruil voor toezeggingen van Engeland Nederlandse koloniën af te staan.
.
1806 Er komt een einde aan de Bataafse republiek. Napoleon sticht het Koninkrijk Holland. Nederland was een deel van Frankrijk geworden. Voor het bestuur over de VOC-gebieden die nog niet in Engelse handen waren gevallen, zocht Napoleon een krachtige persoonlijkheid.
1806 Louis Napoleon wordt Koning van Nederland is zeer populair weigert ook de conscriptie (dienstplicht) in te voeren
Toen een Brits leger in 1809 het Zeeuwse eiland Walcheren onder de voet liep en de strategische vesting Bath veroverde (zie Walcherenexpeditie), zodat de weg naar Antwerpen open lag, stortte Napoleon een nieuwe vloed aan kritiek uit over zijn broer
1808 Herman Willem Daendels wordt bestuurder van de overgebleven VOC-gebieden. komt aan met een Amerikaans schip
1808-1811- Daendels zorgde voor de aanleg van de Grote Postweg ongv. 1000 km lang van west naar oost met behulp van herendiensten. Onder de duizenden boeren die hieraan meewerkten (en het in 1 jaar afmaakten), vielen duizenden doden door ongelukken of uitputting. Daendels werd door z’n gedrag steeds meer gehaat door Nederlanders en Indonesiërs. Door zijn geldzucht en grootheidswaanzin gaf hij zijn belangrijke vijanden doeltreffende wapens in handen. Deze mensen die hem zo haatten, wisten hierdoor Napoleon te overtuigen van de noodzaak van Daendels’ ontslag.
1810 Louis Bonaparte wordt door broer Napoleon ontslagen als koning en Nederland wordt ingelijfd bij Frankrijk
1811 Daendels wordt ontslagen door Napoleon na klachten over behandeling v/d inlanders.
1811 Engelsen landen op Java begin Engelse bezetting De Nederlanders waren hierna niet meer in staat Java tegenover de Engelse troepen te verdedigen. Het bestuur komt dan ook in handen van Thomas Stamford Raffles. Per 11 september 1811 werd Raffles tot luitenant-gouverneur van Java benoemd. Hij hervormde er de justitie en politie en het bestuurlijk stelsel, waarbij hij werd geadviseerd door Herman Muntinghe. Maar de plannen van Raffles werkten niet. Ze sloten niet aan bij het karakter van de desa’s. Daar bestond een gemeenschappelijke belastingheffing die door de dorpshoofden over de bevolking werd verdeeld. Bovendien ontbraken betrouwbare gegevens om de individuele landrente op te baseren. Het landrente- systeem van Raffles betekende in de praktijk een lastenverzwaring voor de boeren.
1814 De Engelsen en de Nederlanders komen tot een overeenkomst, waarbij het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden (de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden) het beheer over de voormalige overzeese bezittingen terugkrijgt.
1816 Nederland begint zijn gezag te herstellen en heeft nu pas het koloniaal gezag hersteld door een tekort aan troepen en een geringe haast van de Engelsen. Op veel plaatsen verzette de bevolking zich tegen dit herstel. Het felst op eilandengroep de Molukken. De Engelsen waren hier altijd soepel geweest en nu kwam er een veel strenger Nederlands gezag.
Raffles werd per 11 maart 1816 opgevolgd door John Fendall. Raffles keerde naar het Verenigd Koninkrijk terug en werd in 1817 in de adelstand verheven. Hij bezocht Nederland en besprak koloniale vraagstukken met Koning Willem I en minister Anton Reinhard Falck. In oktober 1817 werd Raffles door de Britten tot luitenant-gouverneur van Benkoelen benoemd. Hij probeerde tevergeefs de invloed van de Nederlanders op Sumatra terug te dringen.
Op 29 januari 1819 stichtte hij op de zuidpunt van het schiereiland Malakka een vrijhandelspost, die zich ontwikkelde tot het huidige Singapore. Raffles verliet de handelspost in 1823. Bij het eerste Sumatra-traktaat, het Verdrag van Londen (1824) stond het Verenigd Koninkrijk haar bezittingen op Sumatra aan Nederland af. Raffles raakte hierdoor zijn functie te Benkoelen kwijt
In ruil voor de teruggave van hun Oost Indische kolonies waren de Nederlanders bereid om de volgende gebiedsdelen af te staan aan de Engelsen.Berbice, Essequibo, Demerara in de West en de Kaapkolonie in Afrika en Ceylon, doordat dit eiland al in 1802 (dus vóór 1803) in Britse handen was gevallen16 mei 1817
Molukkers veroveren het fort van Duurstede op het eiland Sapoera op de Molukken. Bij deze verovering worden al de bezetters gedood waaronder de nieuwe resident Van den Berg met zijn famillie.
(De verovering is onder leiding van Thomas Matoelesia, ook Pattimoera genoemd). Hierdoor groeide het eiland uit tot een centrum van verzet tegen Holland. Het koloniale gezag leed nog meer gezichtsverlies dat jaar.In november wordt een invasiemacht bij de landing op Sapoera werd afgeslacht.
Onder leiding van schout-bij-nacht Buyskens breekt een geslaagde expeditie het verzet op Sapoera. Hij verhardde het bestuur op de Ambonese Molukken en Matoelesia werd in het openbaar opgehangen.
1816-1830- De basis voor het koloniale beleid in de 19e en 20e eeuw wordt hier gelegd. De opstelling van Nederland tegenover de vorsten was veranderd. Volgens Nederland kon er geen welvaart zijn omdat het volk werd uitgebuit door de vorsten. In het eerste regeringsreglement van Nederlands-Indie (nieuwe naam voor de kolonie) stond dat Nederland zich meer ging bemoeien met Indonesische gezagsverhoudingen.
Prins Dipanegara: 1825- De Java-oorlog breekt uit duurt tot 1830 Als oorzaak onder andere de toegenomenbemoeizucht van Holland. Behalve bij de Midden-Javaanse vorsten leefde het verzet ook bij het volk dat partij koos voor de vorsten. Leider van het verzet was Dipanegara. Eerst leek Nederland te verliezen door de onbekendheid met de guerrillastrijders. Maar toen ze zich aanpasten aan de Javaanse oorlogsmanier ging het beter. De strijd eindigde doordat generaal de Kock tijdens onderhandelingen onverhoeds Dipanegara gevangen nam. De oorlog kostte aan 15000 Nederlanders het leven en aan 200 000 Javanen.
Twee bekende Belgische militairen uit deze periode.
Generaal Van Geen
Jozef van Geen werd geboren in september 1773 in Gent als jongste van drie zonen. Na de dood van zijn vader Arnold, zond zijn moeder hem naar het seminarie van Leuven. Toen in 1789 de Brabantse omwenteling uitbrak, schaarde Jozef zich aan de kant van de opstandelingen en werd soldaat bij de "kanaries," de in geel uniform gestoken troepen van Jean-Baptiste Dumonceau (1760-1828), de graaf van Bergendal en latere maarschalk van Holland. Daarmee begon een militaire carrière die van Geen tot grote hoogte zou leiden. Amper 19 jaar oud was hij in maart 1793 reeds luitenant bij het bataljon Gentse jagers. In 1795 trad hij, net als Dumonceau, in dienst van de Bataafse Republiek. Toen Holland in 1810 door Frankrijk geannexeerd werd, werd van Geen, inmiddels kolonel, naar Portugal en Spanje gestuurd, waar hij deel uitmaakte van de Franse bezettingsmacht. Na de val van Napoleon werd Van Geen generaal in het Nederlandse leger. Hoewel hij provinciaal commandant van Utrecht was, vroeg hij in 1819 een commando bij de koloniale troepen op Indonesië, wellicht omdat twee van zijn vier zoons daar eveneens dienden. Hier beleefde van Geen zijn glorietijd. Hij werd een ware militaire legende door de verovering van Celebes in 1825 en het neerslaan van een opstand op Java twee jaar later. In februari 1829 werd van Geen, die in middels baron was geworden, benoemd tot luitenant-generaal en opperbevelhebber van het Groot Militair Commando te Namen. Het Verenigd Koninkrijk was militair in zes dergelijke commando's ingedeeld, met standplaatsen te respectievelijk Amsterdam, Deventer, Gent, Antwerpen, Maastricht en Namen. Het Groot Commando te Namen was bevoegd voor de provincies Henegouwen, Namen en het groothertogdom Luxemburg.In september 1830 meldde van Geen aan koning Willem dat hij alleen nog kon rekenen op de Hollandse, Vlaamse en Luxemburgse soldaten, maar dat de Walen massaal deserteerden. Op 5 oktober trok hij met de trouw gebleven soldaten naar Antwerpen. Kroonprins Willem, de latere Willem II, die een verraderlijke rol had gespeeld tijdens de Belgische Omwenteling in de hoop om koning te kunnen worden van een met België herenigd Frankrijk, bood van Geen het opperbevel van het Belgische leger aan. Van Geen weigerde. In plaats van "Belg" te worden, ging hij naar Noord-Brabant, dat door prins Willem aan België was toegewezen. Hij nam, samen met een andere geboren Gentenaar, baron Van Den Bogaerde, de gouverneur van Noord-Brabant, de verdediging van Breda op zich. Daarna verdreef Van Geen de "Belgen" uit Tilburg en Eindhoven. Aldus bleef Noord-Brabant behouden voor Nederland. Hij stierf in 1846 als banneling in Rijswijk omdat hij in 1830 de kant van zijn wettige vorst had gekozen.
SOLLEWIJN (Bernard), geboren op 13 Januari 1785, in St. Niklaas, in Oost-Vlaanderen trad hij 1 Januari 1802 op 17-jarige leeftijd,als vrijwilliger, in het 110 regiment infanterie van linie, in dienst.
Een jaar later tot korporaal bevorderd, kwam hij in het kamp van Boulogne, om den oorlog in Duitsland te gaan volgen, door Oostenrijk aan Frankrijk verklaard.
n de slag van Austerlitz, 1805, ontving hij aan het rechterbeen een eerste wonde; vóór de vesting Raab, in Hongarije, 1809, de tweede. Van die wonden, zooveel mogelijk hersteld, nam hij aan den slag bij Wagram deel. In 1804, was Sollewijn bij het 112 regiment infanterie van linie instructeur. In 1810 tot sergeant benoemd, ging hij, een jaar later, eervol, als eenvoudig grenadier, bij het 2 regiment keizerlijke garde over, om deel te nemen aan den tocht naar Rusland, tot Moskow toe. Den 25 Januari 1813, bij de garde als Korporaal bevorderd, verwierf hij zich door zijne dapperheid, in datzelfde jaar, den 17 Februari, den tweeden, en den 1 November, den eersten luitenantsrang, bij het 147 regiment infanterie van linie, om daarmede eerst in Saksen, en daarna in Vlaanderen de Franse vanen te volgen, en, na nogmaals, vóór Breslau, 1813, gewond te zijn geworden, bij het 17 regiment infanterie van linie, op het slagveld van Kortrijk, van den luitenant-generaal Maison de kapiteinsepauletten te ontvangen, welke benoeming echter, uithoofde der lot wisselkansen van den Franse adelaar, voor onzen dapperen krijgsman niet in verwezenlijking overging vóór den 9 Juli 1815, nadat hij, een jaar te voren, in het Vaderland wedergekeerd, eerst nog den rang van eersten luitenant, onder den herstelden Oranjestandaard, met onderscheiding had bekleed. Een ruime kring van krijgsmansroem verbeidde Sollewijn, evenwel, aan het Oosterstrand. In Maart 1819, naar Batavia vertrokken, kwam hij den 5 September daar aan, en verwierf hij, zes jaren later, den hoofdofficiersrang van majoor, om toen deel te gaan nemen, eerst aan de vermaarde expeditie naar Celebes, onder bevel van den generaal-majoor van Geen, en, vervolgens, op last van den gouverneur-generaal van der Capellen, 10 Juni 1825, de expeditie te commanderen naar Borneo, en voorts naar Java terug te keren, tengevolge de belangrijke onlusten, die op Java, in de vorstenlanden, waren uitgebarsten, alwaar hij den 12 September, 1825, te Samarang, met zijne expeditie aankwam. Vijf jaren lang (1825-1830), droeg de oorlogsfaam ‘MAJOOR SETAN’ (Majoor Satan of duivel) de naam van Sollewijn roemrijk de vorstenlanden van Java door, en kleurde meermalen zijn bloed de plek, waar hij zich het erelover had geplukt, zoo bij Bedoyo, 12 November 1825, als vooral bij het gevecht van de Lango, waar een geweerkogel tussen de beide ogen indrongen, hem het rechteroog geheel wegnam, 26 Augustus 1826 In het jaar 1827 zag hem belast met het plaatslijk commandantschap van Weltevreden, en behalve tot lid van het hooge militaire gerechtshof, ook tot luitenant-kolonel benoemd. Nog niet geheel van zijne zware wonden hersteld, vertrok hij in 1827, op het dringend aanhouden van den commissaris-generaal Du Bus de Gisignies, wederom naar het toneel van den oorlog, om daar op nieuw het commando der eerste mobiele colonne op zich te nemen. Men behoeft slechts de officiële rapporten over den oorlog op Java, van 1825-1830, door den generaal-majoor Nahuys uitgegeven, en de Fastes militaires des Indes Orientales van den kapitein der artillerie Gerlach, na te slaan, om, gedurende dat tijdvak, op de meeste bladzijden den naam van Sollewijn met roem te zien vermeld, en is het voor dit bestek onmogelijk, in bijzonderheden op te geven, of zelfs ook maar aan te stippen, de talloze wapenfeiten en expedities naar de verschillende schuilplaatsen der muiters, steeds met glansrijke overwinningen op den vijand door Sollewijn, aan het hoofd der eerste mobiele colonne, bekroond. Bij Sollewijn terugkeer van de Borneo expeditie, was Semarang in groot gevaar van door een vijfentwintigduizend man sterke macht van muitelingen, onder aanvoering der prinsen van Ceram en Noto Prodjo geplunderd en uitgemoord te worden. Onze dappere bevelvoerder bracht dien vijand den eersten slag toe, om vervolgens onder de verdere bevelen van den generaal-majoor van Geen, ene volkomen overwinning op hen te behalen, die, volgens het officieel rapport van den generaal, vijftienhonderd man op het slagveld achterlieten, terwijl daarentegen het verlies der onzen zeer onbeduidend was. Te Semarang terugkerende, ontving Sollewijn, bij een adres van den resident Domis, 15 September 1825, namens de ingezetenen, een vurige dank voor zijne snelle hulp en voortreffelijke militaire manoeuvres, als waardoor Samarang, bij zijne spoedige aankomst van Borneo, van den onvermijdelijke ondergang was gered. Generaal-majoor Nahuys van Burgst maakt, in zijne levensherinneringen, uitvoerig melding (blz. 170-186) van de gevangenneming des keizers van Soerakarta, wiens bedoelingen niet anders konden zijn, dan om den oorlog, die ten einde liep, op nieuw aan te wakkeren, en welke gevaarvolle onderneming door den overste Sollewijn zoodanig loflijk werd ten uitvoer gebracht, dat daarover de gouverneur-generaal hem in Juni 1830, zijne bijzondere tevredenheid, hij eene vlijende kabinets-missive uitdrukte, terwijl dit belangrijk militaire feit echter zonder verdere beloning gebleven is. Reeds twee jaren vroeger, viel hem, bij achtervolgende Koninklijke besluiten van dezelfde dagtekening, 22 November 1828, het kruis van de Militaire Willemsorde, eerst van de vierde en daarna van de derde klasse, ten deel. Buitendien sieren de Sint-Helena- en Java-medalje, met het onderscheidingsteken voor langdurige Nederlandse diensten, als officier, Sollewijns edele borst. Achtenveertig jaren oud, keerde de altijd wakkere krijgsman, tot herstel van gezondheid, naar het moederland tijdelijk terug (December 1832, na in 1827 met de weduwe van resident Wentzel te zijn gehuwd. Van 1841 tot 1846 diende Sollewijn op nieuw met onderscheiding het Vaderland in de Oost, om vandaar, in den avondstond des levens, teruggekomen, eindelijk de eervolle rust te mogen smaken, die te veel bewogen werkkring van den militair hem eerst op zestigjarige leeftijd vergunde, doch welke bij thans dan ook lang reeds en volop mag genieten, omringd door den eerbied zijner oude en jongere wapenbroeders, door de hoogachting en toegenegenheid zijner vrienden en bekenden, door de gehechtheid, vooral van hen, die behoren tot zijn laatste familiekring welverdiende pensioen werd hem, na veertigjarige roemvolle militaire dienst, door koning Willem II (1844), tevens met de vergunning verleend, om de activiteitsuniform in den hem eerst (1833) titulair, doch acht jaren daarna (1841) effectief toegekende rang van kolonel te mogen blijven dragen. Hij overleed te Breda, in 1866.

Le chagrin des Belges.

Het contingent, opgelegd aan de Zuidelijke Nederlandse provincies bij de rekrutering van dienstplichtigen voor het leger, was onevenredig groot. Let wel, alle voor Oost Indië bestemde militairen waren vrijwilligers
Het Belgische aandeel in het officierenkorps was echter beperkt: slechts één officier op zes kwam uit de zuidelijke provinciën en dan nog vooral in de lagere rangen en bij de infanterie en de cavalerie.
Het aantal officieren uit het zuiden was echter minimaal bij de artillerie en de genie, waarvoor een gespecialiseerde opleiding nodig was.
Aldus werd een meerderheid van de soldaten uit het zuiden aangevoerd door officieren uit het Noorden
Tijdens de Javaoorlog maken de Belgen 45% uit van de Europese effectieven uit. Talrijke ex militairen van verschillende nationaliteiten uit de Napoleontische oorlogen hadden ook dienst genomen.

1830- De Java-oorlog is voorbij en de Javaanse bestuursadel wordt versneld aan het Nederlandse gezag onderworpen. Het roer werd omgegooid omdat de kolonie het moederland enkel nog geld kostte in plaats van dat het opbracht. Het 'cultuurstelsel' werd ingevoerd. Door het cultuurstelsel moesten er wegen aangelegd en onderhouden worden voor transport van de producten. Hierbij maakte het Nederlandse bestuur weer gebruik van herendiensten. Ondanks deze extra druk voor de bevolking ontstonden toch nieuwe banen en nam welvaart in sommige gebieden toe. Voor Nederland was CS een echte goudmijn.
1830 De Belgische omwenteling
Een specifiek zuidelijk bezwaar was de ondervertegenwoordiging in de Tweede Kamer. Hoewel de Belgen met 3,4 miljoen een groter aandeel hadden in de bevolking dan de 2 miljoen Nederlanders, hadden beide groepen elk 55 vertegenwoordigers
Een opvoering van de opera La Muette de Portici van Daniel Auber op 25 augustus 1830 lokte een opstand van de Franstalige burgerij uit, gevolgd door volksrumoer (Lees de echte beweegreden van de Belgische opstand in het 3 delige werk De Septemberrevolutie 1830 door MAURITS JOSSON
Door het weifelende en onhandige optreden van Willem I en zijn zonen leidde in september 1830 tot een definitieve breuk. Enerzijds had Willem I wel al in juni 1830 de onbeperkte taalvrijheid weer ingevoerd en het Filosofische College voor priesters afgeschaft. Anderzijds liet hij noch persvrijheid, noch een staatshervorming toe. Hij stuurde zijn zoon, kroonprins Willem 2, naar Brussel, terwijl zijn andere zoon, prins Frederik, die opperbevelhebber was van het Koninklijke leger, in en rond Vilvoorde klaarstond met een legertje van 6000 man. Dit optreden werd vergeleken met dat van een bezetter.
De troepen bleven vooralsnog in Vilvoorde en prins Willem 2 ging onder bescherming van de Brusselse burgerwacht de stad binnen. Deze laatste stelde op 3 september voor dat de prins bij zijn vader voor een bestuurlijke scheiding van België en Nederland onder de Oranjedynastie zou pleiten. Willem I weifelde echter en liet enkele weken verlopen. Pas op 29 september besloten de Staten-Generaal tot scheiding, maar toen hadden de opstandelingen deze eis al laten vallen. In Holland zorgden de onlusten in het zuiden voor een nieuwe sympathie voor de koning en was er grote aanhang voor een stevig optreden tegen het 'muitzieke Belgenrot'. Dit accentueerde de tegenstelling tussen noord en zuid waardoor de opstand een nationalistisch karakter kreeg. De opstootjes in Brussel kregen weer een gewelddadig karakter, vooral nadat er begin september gewapende versterking uit Luik gekomen was. Spontaan werden vrijkorpsen opgericht, die geleid werden door verkozen of door zichzelf benoemde leiders. Op 23 september trekt het regeringsleger, onder aanvoering van prins Frederik met een leger van 12.000 man Brussel binnen. De burgerwacht kon de volkswoede op dit leger afwentelen en doen omslaan in een nationale opstand. Het leger, dat zich in het Warandepark had opgesteld, werd het doelwit van de Brusselse opstandelingen en van overal toegesnelde idealisten. Ook vanuit het buitenland stroomden vrijwilligers toe: zo werd in Frankrijk het Légion belge parisienne opgericht, dat met privé-steun gefinancierd werd (o.a. van graaf de Merode) en twee bataljons van telkens 400 vrijwilligers leverde. Dit gebeurde met instemming van de Franse regering, die zo een eventuele aanhechting van België bij Frankrijk in de hand wou werken. Toen het regeringsleger (waarvan 2/3 Zuid-Nederlanders) na vier dagen strijd, met honderden doden en gewonden langs beide zijden, in de nacht van 26 op 27 september opbrak, begon de scheiding pas goed.
Tijdens deze gevechten in het park van Brussel kwam een revolutionaire regering tot stand: het Voorlopig Bewind.
Op 4 oktober riep deze de onafhankelijkheid van België uit.Het Voorlopig Bewind riep op 4 oktober 1830 de onafhankelijkheid uit van de Zuidelijke Nederlanden onder de naam België. Het Nationaal Congres besloot om van België een koninkrijk te maken met als eerste koning Leopold van Saksen-Coburg-Gotha
Op 21 juli 1831 Leopold wordt koning
De Belgen in Indië krijgen de keuze blijven of terug naar huis. Bijna gans het lagere Waalse kader vertekt, ¼ van de officieren blijft en word Nederlander.Onder de Vlamingen gebeurt het anders. Blijft hun Vlaamse officier op zijn post dan blijven zij ook!
Het Nederlands Oost Indische leger tot 1830
Expedities naar Palembang: Eerste expeditie naar Palembang (21 augustus 1819) onder leiding van schout-bij-nacht Constantijn Johan Wolterbeek werd een mislukking.
Tweede expeditie naar Palembang (begin 1821) onder leiding van Hendrik Merkus de Kock slaagde erin een overeenkomst met de sultan te sluiten.
De godsdienstige Padri-oorlogen op Sumatra (1820-1837);
De eerste Padri-oorlog (1821-1824) onder leiding van luitenant-generaal A.T. Raaff eindigde met een vredesverbond tussen het gouvernement en de padri's.
De tweede Padri-oorlog (1824-1832) onder leiding van onder meer luitenant-kolonel Elout.
De Verovering van Bondjol onder leiding van Andreas Victor Michiels betekende het einde van de Padri-oorlogen.
De Expeditie naar de westkust van Borneo (1823) onder leiding van Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers.
De Boni-expedities in de jaren 1820:
De eerste Boni-expeditie, onder leiding van Hubert Joseph Jean Lambert de Stuers, mislukte.
De tweede Boni-expeditie van 20 januari 1825, onder leiding van de Belg Josephus Jacobus van Geen (de zogenaamde Makassaarse Expeditie) eindigde met het gewenste doel.
•De Java-oorlog (1825-1830) onder leiding van generaal Hendrik Merkus Hendrik de Kock.
Het eerste deel van de Java-oorlog. Het tweede deel van de Java-oorlog.Het derde deel van de Java-oorlog.
De Expeditie naar de westkust van Sumatra in 1831 onder leiding van Andreas Victor Michiels.

Overzicht van de Knil-acties na 1832
1832 Opstand van de Chinezen in Karawang.
1834 Expedities naar de Lampungs.
1846 Eerste Bali-expeditie.
De Opstand aan de westkust van Sumatra (1841) in 1841 werd onderdrukt door troepen onder leiding van Andreas Victor Michiels.
De Bali-expedities:
De Eerste expeditie naar Bali van 27 juni 1846 onder leiding van schout-bij-nacht Engelbertus Batavus van den Bosch was een gedeeltelijk succes.
De Tweede Bali-expeditie onder leiding van Carel van der Wijck werd een mislukking.
De Derde Bali-expeditie in 1849, onder leiding van Andreas Victor Michiels, beantwoordde aan de verwachtingen.
De expeditie naar Bantam, in 1850, onder leiding van Cornelis Albert de Brauw.
De expeditie naar de westerafdeling van Borneo, in 1850, onder meer onder leiding van Frederik Johannes Sorg.
De Expedities naar de Palembangse Bovenlanden (1851-1859) onder leiding van Cornelis Albert de Brauw.
De Expeditie tegen de Chinezen te Montrado (Borneo) onder leiding van A.J. Andresen.
De Expeditie naar Nias (1855-1864) (onder meer) onder leiding van J.H. Crena en H.J. Fritzen.
De expeditie naar de Lampongse districten (1856) onder leiding van J. A. Waleson.
Diverse kleine expedities naar Timor, Flores, Siak, Ceram en Djambi (jaren vijftig).
Boni-expedities (1859 en 1860) De Eerste Boni-expeditie van 1859 onder leiding van generaal-majoor E.C.C. Steinmetz en na diens verwonding J.A. Waleson mislukte.
Tweede Boniexpeditie onder leiding van Jan van Swieten voldeed aan de verwachtingen.
Oorlog in Bandjermasin, onder leiding van A.J. Andresen en Gustave Verspijck (1859-1863).
Expeditie naar de Pasoemah-landen onder leiding van luitenant-kolonel Koch (1864-1868).
Diverse kleine expedities in de jaren zestig, onder meer naar de Oost-kust van Sumatra (1865), naar Nias (1863), Ceram (1868)
1848 Tweede Bali-expeditie.
1849 Derde Bali-expeditie.
1850 Onlusten in Bantam en Bangka.
1851 Expeditie tgen Amahay en Mahariko (Ceram). Opstand te Palembang. Expeditie naar de Lampungs.
1854 Onlusten in de Palembangse Bovenlanden. Expeditie naar Borneo's Westkust.
1856 Expeditie naar Tomiri (Molukken). Expeditie naar Mandar (Celebes). Onlusten onder de Chinezen op Riouw. Expeditie naar de Lampungs.
1857 Expeditie naar Timor en Flores.
1858 Tuchtiging der Berg-Alfoeren op Ceram. Expeditie tegen Djambi. Ongeregeldheden in Palembang. Ongeregeldheden der Chinezen in Cheribon en Krawang. Expeditie naar het landschap Retih (Oostkust Sumatra). Verzet op Bali.
1859 Ongeregeldheden in Sintang (Borneo). Eerste Boni-expeditie. Onlusten en krijgsverrichtingen in Palembang. Opstand in Bandjermasin (Borneo).
1860 Onlusten in Ceram. Opstand in Semarang van tot het leger behorende Zwitserse huurtroepen.
1861 Krijgsverrichtingen tegen zeerovers op het eiland Saljoesoe.
1862 Vernieling van de roversvloot bij de Sangir-eilanden. Expeditie naar Mangir en Toeroengan (Celebes).
1863 Expeditie naar Nias. Expeditie naar de Toraja-landen.
1864 Verwikkelingen in Sintang. Expeditie naar Marahoenoe. Strijd tegen zeerovers bij Menado. Expeditie naar Assahan en Serdang. Onlusten op Ceram. Ongeregeldheden te Amoenthai (Borneo).
1866 Expeditie naar de Pasoemah-eilanden (Palembang). Expeditie naar Ceram
1867 Expeditie naar Mandar (Celebes).
1868 Verwikkelingen op het eiland Bali.
1870 Demonstratie tegen Mentawi.
1871 Ongeregeldheden in Pekalongen.
1872 Verwikkelingen in het landschap Deli op Sumatra.
1873 Begin van de Atjeh-oorlog. Vertek eerste en tweede expeditie. Ongeregeldheden in de kraton te Atjeh.
1875 Onlustenop Ceram. Ongeregeldheden op Menado.
1877 Expeditie naar Langsar. Onlusten op Celebes. Opstand van Kraeng Bonto Bonto.
1878 Expeditie naar Silindoeng. Vernieling van het zeeroversnest te Manoera (Zuid-Flores).
1880 Ongeregeldheden te Kutuarjo.
1881 Ongeregeldheden te Takalar (Celebes). Ongeregeldheden in de Ommelanden van Benkoelen. Samenzwering in Palembang.
1882 Verwikkelingen met Indragi (Oost-Sumatra). Onlusten in Boven-doesson (Borneo).
1883 Ongeregeldheden in de Toba-landen (Midden-Sumatra). Expeditie naar Siak. Onlusten in Palembang.
1884 Expeditie naar Mandar. Poging tot opstand in de Palembangse Bovenlanden. Expeditie tegen zeerovers (Oostkust-Sumatra). Gewapend verzet in de Noordelijke districten van Celebes. Onlusten in Djambi. Ongeregeldheden te Poeloeng (Madioen).
1886 Expeditie tegen zeerovers te Batoe Barah. Moeilijkheden met de Raja Batak.
1887 Onlusten in Troemon. Onlusten in de Toba-landen.
1888 Onlusten in Tjiligong (Bantam). Ongeregeldheden in Midden- en Oostjava.
1890 Expeditie naar Flores. Krijgstochten naar de onafhankelijke grenslanden (Sumatra's Westkust).
1891 Expeditie naar de Tebidah-streek (Borneo).
1892 Ongeregeldheden op de Aroe-eilanden.
1893 Invallen van de Atjehers in het Noorden van de Residentie Oostkust van Sumatra. tuchtiging der Aroe-eilanden.
1894 Twee expedities naar Lombok.
1895 Rustverstoring in de afdeling Sampang (Madura).
1896 Verwikkelingen in de onderafd. Melawie (Borneo). Ongeregeldheden in Ampoeang (Timor). Ongeregeldheden op Lombok.
1897 Ongeregeldheden in Midden-Lombok.
1899 Rustverstoringen in Parigi (Menado). Herhaaldelijke ongeregeldheden onder de mijnwerkers op Banka. Rustverstoring te Kendangan.
1900 Begin der onlusten in het sultanaat Djambi.
1903 Expeditie naar Korintji.
1904 Tocht van overste van Dalen door de Goja-Alas- en Bataklanden, dorpen en streken worden letterlijk en figuurlijk uitgemoord.
1905 Expeditie naar Boni.
1906-1910 Verscheidene expedities en tochten naar Bali.
1916 Expeditie naar Djambi.
1926 Onlusten op Java en Sumatra.
1927 Onlusten in Tapanoeli.
1941-1945 Oorlog tegen Japan.
1946-1950 Tezamen met uitgezonden troepen van de Koninklijke Landmacht herbezetting van het oorspronkelijk Nederlandse territorium.
Politionele acties op Java.
1950
26 juli Einde van het Koninklijk Nederlands Indonesische Leger.


De Atjeh-oorlog (vanaf 1873).
In het koloniale werfdepot in Harderwijk stromen plots massaal de Belgen toe
Hoofdreden
De Frans Duitse oorlog in 1870-1871 Leopold 2 bezorgd om de Belgische neutraliteit verzoekt Frankrijk om geen Belgische legionairs in te zetten tegenover de Pruisen. Hij wil koste wat kost totaal, ja tot zelfs in het absurde neutraal blijven!

Het lied van het legioen met de beruchte passage over de Belgen
'Tiens, voilà du boudin, voilà du boudin, voilà du boudin
Pour les Alsaciens, les Suisses et les Lorrains,
Pour les Belges, y en a plus,
Pour les Belges y en a plus,
Ce sont des tireurs au cul.
Pour les Belges, y en a plus,
Pour les Belges y en a plus,
Ce sont des tireurs au cul.

Na de Franse nederlaag breekt er een ware aversie uit tegen over de Belgen Deze voelen zich in het Franse Legioen niet meer welkom en de avonturiers onder hun,vertrekken dan maar naar Harderwijk
Op 3 jaar tijd ( 1872-1875) melden er zich 4900 Belgen meest Vlamingen aan
De Nederlandse autoriteiten geven overduidelijk de voorkeur aan Vlamingen boven ander Franstalige zoals Walen, Fransen en Zwitsers
Vlamingen hebben meer discipline, zijn trouwer en bescheiden.

Nederland verkrijgt de heerschappij van Atjeh van Engeland inruil voor haar kolonie Elmeria (Goudkust het latere Ghana) Daarmee stookt de aanwerving van de ‘Belanda hitam’ de negers die eerder gebruikt werden als soldaat (slaaf 20 jaar voor afbetaling van vrijheid als slaaf
De eerste Atjehexpeditie (1873) onder leiding van Johan Harmen Rudolf Köhler, na diens dood van kolonel Eeldert Christiaan van Daalen.
Het Knil bestaat voor 2/3 uit inlanders Javanen, Mendonezen en Ambonezen
De Atjehkrijg eist het onderste uit de Pan.
De Tweede Atjehexpeditie (1873-1874) onder leiding van Jan van Swieten en Gustave Verspijck.
De Atjeh-oorlog: (1874-1876) onder leiding van Johannes Ludovicius Jakobus Hubertus Pel.
De Atjeh-oorlog: de periode 1876-1877 onder leiding van G.B.T. Wiggers van Kerchem en A.J.E. Diemont.
De Atjeh-oorlog: 1877-1881,onder leiding van Karel van der Heijden.
De Atjeh-oorlog: de periode van het civiele bestuur (1881-1883) onder Abraham Pruijs van der Hoeven.
De De Atjeh-oorlog: voortzetting van de afwachtende politiek (1883-1892) onder (onder meer) F.P. Laging Tobias, H. Demmeni en H.K.F. van Teijn.
De Edi-expeditie van 1890 onder leiding van H.K.F. van Teijn.
De Atjeh-oorlog: de periode van verdere achteruitgang (1892-1896) onder leiding van generaal C. Deykerhoff.
De Atjeh-oorlog: (1896-1901); een periode van offensief militair optreden onder leiding van J.W. Stemfoort, Jan Jacob Karel de Moulin, Jacobus Augustinus Vetter en Joannes Benedictus van Heutsz.
De Pedir-expeditie in 1897 en 1898 onder leiding van Joannes Benedictus van Heutsz.
De opstand der Chinezen in Mandor, Borneo (1884-1885) was een opstand onder de Chinezen, geholpen door de Dajakkers, te Borneo.
De Opstand te Djambi was een opstand in Djambi (Sumatra) in 1885.
De pacificatie van Lombok (1894) onder leiding van Jacobus Augustinus Vetter.
De Militaire excursie naar Midden-Lombok was een strafexpeditie in 1897 onder leiding van G.A. Platt naar Midden Lombok.
Expedities van het KNIL in de twintigste eeuw
De Atjeh-oorlog (vanaf 1873).
De Atjeh-oorlog: de tocht van overste van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden (1904) onder leiding van Gotfried Coenraad Ernst van Daalen.
De Expeditie naar Korintji was een strafexpeditie naar Korintji in 1903 onder leiding van luitenant-kolonel der infanterie O.J.H. Bruijnis.
1911 stopt het KNIL abrupt met de aanwerving van buitenlanders
In 1929 zijn er nog welgeteld 16 Belgen in het KNIL
In totaal hebben er tussen 1816-1911 ongeveer 24300 Belgen gediend, 80 TOT 90% was Vlaming!Meestal waren het Oost en West Vlamingen
Het KNIL is nooit sterker geweest dan 48000 man verdeeld in 20 Bataljons
1 bataljon = 4 compagnies 1 comp.= 135 man

Grootlo
Wie belangstelling heeft over dit onderwerp mag steeds contact opnemen met mij.
Grootlo
 
Berichten: 3
Geregistreerd: 11 mei 2011, 12:39

Re: Belgen in Nederlands-Indie

Berichtdoor Tandorini » 27 mei 2011, 18:13

Nog meer van zulke artikelen graag. icon_thumright.gif

Mijn pa verteld me hier dat hij in de jaren '80 in Arnhem een tehuis heeft bezocht voor oud-militairen van de KNIL, tehuis Brombeek. Er was daar, of nu nog, een mooi museum m.b.t. deze periode.
NEC JACTANTIA NEC METU ("zonder woorden, zonder vrees")

Avatar:De Siciliaanse vlag,oorspronkelijk uit 1282,de triskelion (trinacria) in het midden,is van oorsprong een oud Keltisch zonnesymbool.


Avatar gebruiker
Tandorini
Generaal
Generaal
 
Berichten: 2759
Geregistreerd: 30 mei 2008, 23:18


Keer terug naar Militairen.

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast