Jef Vermeiren,een soldaat van 1914-1918.

Moderators: Messalina, Tandorini

Jef Vermeiren,een soldaat van 1914-1918.

Berichtdoor Typhoon » 21 dec 2008, 19:08

OORLOG
“De avond van 31 juli 1914 ging ik zoals steeds rustig slapen met mijn broer Frans die met mij dezelfde kamer deelde. ‘s Nachts rond één uur werden wij echter plotseling gewekt omdat de kerkklokken begonnen storm te luiden… Wij kleedden ons vlug aan en gingen de straat op, waar wij van de veldwachter vernamen dat het nog wel geen oorlog was, maar dat de algemene mobilisatie was uitgeroepen”.

’s Gravenwezel lag binnen de fortengordel rond Antwerpen. Buiten die gordel werden alle paarden en voertuigen opgeëist en die moesten binnen de forten bij het leger afgeleverd worden. Jef Vermeiren werd echter op 1 augustus met paard en kar opgevorderd om: “voor de bemanning van het fort van ’s Gravenwezel geweren, munitie, klederen en voorraad te gaan halen naar hun depot op Sint-Anneke. Dat duurde zo tot 6 oktober 1914”.

Op 7 oktober vertrok hij met de troepen van het 3de Jagers te voet die aftrokken naar de Vlaanders. De tocht ging over Wijnegem naar Kontich. “Daar zag ik de eerste Engelse soldaten in een autobus. Wij zaten juist volop onder een zwaar artillerievuur van de Duitsers. Als dit wat geluwd was zag ik ook de eerste dode soldaat, een piot die door een ingeslagen obus omhoog was geworpen. De sukkelaar was aan een haak in de muur blijven hangen. Over een op schepen gelegde noodbrug geraakten wij over de Schelde en trokken verder in de richting van de beide Vlaanderen”.

In de buurt van Koewacht was het 3de Jagers nagenoeg volledig ingesloten door de Duitsers. Van de 3.000 soldaten zijn er 125 kunnen ontsnappen. De andere werden Holland ingedreven, waar ze door het Nederlandse leger ontwapend en geïnterneerd werden. “Het regimentsvaandel werd in een gracht in een put gestopt omdat het niet in handen van de Duitsers zou vallen. Een korporaal uit Antwerpen heeft het er later uitgehaald, om zijn lichaam gewikkeld en terug tot achter de IJzer gebracht”.

Jef hoorde bij de ontsnapten die verder de Vlaanderen introkken. “Arm stukje leger! Tijdens onze verder aftocht zagen wij op een dag Koning Albert met zijn Staf, allen te paard met droef, gebogen hoofd, in de richting van Oostende rijden”.

De tocht ging dan verder, via Stene bij Oostende naar Diksmuide, waar de ‘Slag om de IJzer’ bezig was. De reeds oudere soldaten van het 3de Jagers werd naar Saint-Inglevert in de ‘Pas de Calais’ gezonden, om het legerdepot van het regiment te vormen. Jef bleef er als opgevorderde bij. “Tijdens mijn dagelijkse tochten naar Calais maakten de Frans soldaten soms moeilijkheden omdat ik als burger bij het leger voerde. Daarom had ik een ‘capotjas’ en een muts van het 3de Jagers aangetrokken en iedereen dacht dat ik werkelijk soldaat was. Ik kreeg alleen geen loon of soldij. Gelukkig had ik thuis een doosje met 85 Fr. op de kast van mijn slaapkamer staan, de zuivere winst die ik in 1914 met mijn duiven had gemaakt. Bij mijn vertrek had ik, als bij ingeving, nog rap dat geld meegenomen”.

OPLEIDING TOT SOLDAAT
Op 30 november 1914 werd Jef door het leger afgedankt, zonder enige vergoeding. Hij kreeg een vrijgeleide om naar Holland te gaan. Hij verkocht kar en paard voor 650 Fr. Vooraleer hij verder stappen kon ondernemen viel hij ziek. Hij verbleef tot 1 februari 1915 in een kosthuis en ging daarna naar Calais, waar hij op 2 februari tekende als vrijwilliger voor de duur van de oorlog. Van daar uit ging het naar het Franse dorp ‘Parigné-L’évêque, op ongeveer drie uren van ‘Le Mans’ en eveneens drie uren van het kamp van ‘Auvours’.

“Wat moet ons arm en ontredderd Belgisch leger toch aan alles te kort hebben gehad, want er kwam bij ons niets toe dan wat eten. Wij liepen allen nog in ons burgerpak en konden ons niet verschonen bij gebrek aan onderkledij… Ik was ingedeeld in de 3de compagnie van het 9de instructiecentrum, een compagnie met alleen maar Waalse officieren, op één Brusselaar na, die een beetje Vlaams kende. Met de onderofficieren was het al weinig beter; het derde peloton, waarvan ik deel uitmaakte, had echter een Vlaamse sergeant. Deze scheen ook al de Vlamingen niet erg te mogen en sprak bijna uitsluitend Frans. Zo zaten wij dan in volle opleiding. Om zes uur ‘s morgens stonden wij op, wasten ons, aten en vertrokken voor de dril tot het donker werd, want binnen de drie maanden moesten wij gereed zijn voor het front. ‘s Zondags waren wij vrij en konden wij onze was doen. De dagen verliepen allen op dezelfde wijze, steeds maar herhalen wat wij reeds geleerd hadden en nu en dan een nieuwe oefening bij leren. Wij waren nog steeds in burger gekleed. Door de vele oefeningen, springen en over de grond kruipen, waren onze klederen volledig versleten en gescheurd. Wat een armzalig hoopje burgersoldaten. Bij vele jongens hingen de schoenen aan flarden aan hun voeten. Op zekere dag kwam er een lading hoge witte Hollandse klompen toe. Wie versleten schoenen had mocht een paar blokken aanpassen en kon daarmee dan verder op oefening en op mars. Soms marcheerden wij zo 20 tot 30 kilometer ver, zodat bij velen de kap van een klomp brak. Ze hinkten dan maar verder op een blok en op een kous. Na bijna twee maanden kwamen er lichte lijnwaden werkkleren van het Franse leger toe. Ieder kreeg zo een pak om over zijn verhakkelde burgerkleren aan te trekken. De witte klompen bleven, want er waren nog steeds geen schoenen toegekomen. Alle weken, ‘s zondags, moest ieder zijn wit uniform wassen en zien dat het de maandagmorgen schoon zuiver en droog was, anders moest het nat aangetrokken worden. Wanneer wij ongeveer twee maanden en half in het 9de opleidingscentrum waren kwamen er geweren toe. Wij oefenden toen met deze geweren en na acht tot tien dagen schoten wij ieder tien kogels naar een “cibel” die tegen een berg geplaatst was. Dan waren wij gereed voor het front.

Voor ze naar het front vertrokken kregen de soldaten een echte militaire uitrusting: een kakikleurig lijnwaden uniform, een pet, model officieren, maar dan in ruwe stof, twee paar ruwe bruinlederen schoenen en een ransel met allerlei kleine benodigdheden. Maar, eerst moesten ze nog een dagmars van 52 km. doen, met aan het een defilé voor de Kolonel. “Voor deze mars kregen wij allen, zonder uitzondering, een paar hoge Hollandse klompen, die wij moesten dragen om te defileren. Of ze nog niet genoeg de zot met ons gehouden hadden! De grote baan naar Le Mans was een lange rechte weg die lichtjes klom en daalde. Wat een gezicht die lange sliert witte klompen en wat een lawaai op de betonbaan. Van vele klompen brak de kap af zodat naast de baan overal stukken lagen”… Op 25 juli 1915 stonden wij vertrekkens gereed opgesteld op het kerkplein, tegenover de school waar wij het eerst gelegerd waren. Na nog een in het Frans gehouden toespraak, en dit voor negentig procent Vlaamse jongens, werden wij door de Franse bevolking onder bloemen bedolven. Wij werden vereerd en geroemd als de vette os in Antwerpen, de dag voor hij geslacht wordt. Vaarwel Parigné-l’Evêque, vaarwel 9de opleidingscentrum. Wij trokken het grote avontuur tegemoet”.

Onderweg naar het front ontmoette Vermeiren in Calais Jef Van Looveren, die met hem uit ’s Gravenwezel was vertrokken. Die had tot hiertoe op een vrij afgelegen hoeve als knecht gewerkt, samen met een oudere man, Louis Celis van Schilde. Van Looveren wist niet dat door een wet van 1 april 1915 de Belgische jongens verplicht waren zich bij het leger aan te bieden. Hij was rustig op zijn hoeve gebleven, tot hij een paar dagen tevoren door Belgische gendarmen was opgepikt, in de boeien geslagen en naar Calais overgebracht. Hij kon zich op zijn beurt gaan voorbereiden op het front.

Op 28 juli 1915 kwam Jef Vermeiren in de buurt van Diksmuide aan het front. Diezelfde avond werd hij al in de eerste lijn gebracht en heeft hij zijn eerste schoten naar de Duitse lijnen afgevuurd.

HET LEVEN AAN HET FRONT
De eerste nacht aan het front maakte Jef kennis met een soldaat die een paar maanden jonger was dan hij, maar al heel wat frontervaring had. Hij werd door een sergeant aan die man afgeleverd met de woorden: “Hier een schacht voor u, draag er zorg voor dat ze hem deze nacht al niet door de kop schieten”. Die soldaat was Frans Van De Ven van Merksem.

Vermeiren kwam dus direct in de eerste lijn, of de voorlijn of vuurlijn, waar het contact met de vijand elk ogenblik kon plaats hebben. Hij werd ingeschakeld in het systeem van de stellingoorlog die jarenlang het oorlogsgebeuren in 1914-1918 zou beheersen. In de regel verbleven de soldaten vier dagen in de eerste lijn. Dan ging de groep naar de tweede lijn en weer na vier dagen vertrokken zij achteruit in reserve en tenslotte, na weer vier dagen trokken ze naar een veilige plaats, waar nog burgers woonden. Na enkele maanden in dat systeem meegedraaid te hebben, kregen zij veertig dagen grote rust, in de Panne, in Adinkerke of in een dorp juist over de Franse grens. Dat is in het kort de wijze waarop het frontleven georganiseerd was.

“Als wij in tweede lijn waren moesten wij gans de dag doorwerken, loopgraven herstellen en versterken, zowel in eerste als in tweede lijn, nieuwe schuilplaatsen maken, zakjes vullen en op onze rug ter plaatse dragen, en dit soms heel ver. Er hingen overdag, zowel bij ons als bij de Duitsers, altijd kabelballons. Wanneer men van uit zulke ballon een groep werkende soldaten kon opsporen werden deze onmiddellijk door de artillerie beschoten. Deze beschietingen waren dagelijkse kost. Er vielen dan ook nagenoeg dagelijks gewonden en doden… In derde lijn konden wij overdag wat rusten, slapen of luizen vangen. ‘s Nachts moesten wij dan wel naar de eerste lijn of tussen de lijnen om te werken, nieuwe loopgraven en verbindingswegen bijbouwen op plaatsen waar vooruitgeschoven posten waren, voor deze posten versperringen in prikkeldraad aanleggen of de vroeger reeds geplaatste prikkeldraadversperringen die stukgeschoten waren herstellen en vernieuwen. Op zulke plaatsen waren wij door niets voor kogels en ander geschut gedekt. Bij beschieting lieten wij ons gewoon op de grond vallen of zo mogelijk in obusputten. Deze stonden wel bijna altijd vol water, doch beter nat dan dood.

In rust mochten wij de eerste nacht in een schuur of stal slapen en, wat een weelde, daar kregen wij een strozak om op te liggen, dus niet op de blote grond met wat stro dat reeds kaf geworden was. Wij mochten dan slapen tot rond 9 uur in de voormiddag tot de hoornblazer voor de koffie blies”.

Als zijn groep voor de eerste maal op rust ging in Alveringem, ontdekte Jef in een andere sectie een kozijn: “Bij de naamafroeping antwoordde ik : “présent” als ik “Vermeiren” hoorde afroepen. Ik zag hoe in de vijfde sectie een soldaat het hoofd vooruitstak en mij bekeek. Toen even later in de vijfde sectie ook “Vermeiren” werd afgeroepen, was het mijn beurt om op te kijken. De soldaat die mij zoeven bekeken had antwoordde op zijn beurt : “présent”. Als de twee kort daarop kennis maakten, bleek dat het om Adriaan Vermeiren ging, een petekind van Jef’s vader. Adriaan was met zijn ouders Henri en Siska Vermeiren, enkele jaren voor de oorlog, uitgeweken naar Coudekerke-Branche, in de buurt van Duinkerke. Adriaan was nog steeds Belg. Bij het begin van de oorlog was hij in het Vreemdelingenlegioen gestapt. Na enkele maanden kreeg hij de keuze Fransman te worden of naar het Belgisch leger over te gaan. Zo hebben de twee kozijns mekaar ontmoet. Adriaan en Jef gingen enkele keren samen voor enkele dagen met verlof in Coudekerke.

Jef is ook tweemaal voor acht dagen met vakantie geweest in Schotland, daar woonde voor de duur van de oorlog een andere kozijn van hem, Jef Vermeeren (en niet Vermeiren) van Schoten. Die was met zijn gezin in Engeland terechtgekomen en als scheepstimmerman tewerkgesteld in Glasgow. Bij een van die reizen passeerde Jef in Calais en bezocht daar enkele kennissen die “Op het vliegveld van Calais als grondpersoneel werkten. Zo ontmoette ik er Frans De Graef van ’s Gravenwezel met zijn gezin, evenals Louis Aertbeliën en Jozef De Ridder, beiden eveneens van ’s Gravenwezel en Arthur Vercammen van Schoten”.

In de loopgraven loerde de dood steeds om het hoekje. Met allerlei ‘verdelgingsmiddelen’ werden de soldaten bestookt: “lance-bommen: een soort ketels, gevuld met ijzer en staalpoeder of dynamiet. Het was zeer gevaarlijk tuig. Ze droegen niet verder dan een 200 meter en kwamen op 50 tot 60 meter hoogte door de lucht gevlogen. Als men ze op tijd zag komen kon men gemakkelijk een tiental meter opzij lopen, maar zag men ze niet tijdig, zoals bij nacht, dan waren ze uiterst gevaarlijk en menig soldaat werd er dan ook door gedood of gewond. Om dit alles te voorkomen kregen de op wacht staande soldaten een fluitje, zagen ze een ketel afkomen dan moesten zij fluiten en iedereen trachtte er dan onderuit te blijven”.

Er waren ook gasaanvallen. Aanvankelijk was de bescherming daartegen erg primitief: “De eerste onderrichting die wij kregen luidde dat wij bij een gasaanval onmiddellijk onze zakdoek moesten nemen, er op wateren en hem dan tegen onze neus en mond drukken om alzo te beletten dat het gas zou binnendringen”. Ook de wijze waarop het gas door de Duitsers naar de geallieerde lijnen werd gezonden, was aanvankelijk zeer eenvoudig. “In den beginne losten de Duitsers het gas door een buis die door de borstwering van hun voorste lijn werd gestoken. De wind moest dan het gas naar ons toe drijven. Later werd het met obussen afgeschoten”.

Maar vooral de obussen en de kogels waren levensgevaarlijk.” Tijdens de tweede periode in de voorste lijn hadden ze mij al bijna te pakken. Bij een zeer hevige beschieting met de kanonnen, sloeg een obus op ruim één meter van mij in. Ik had mij nog net op tijd in de loopgraaf laten vallen en hoorde de stukken van de obus over mij heen suizen. Ik lag onder een hoop aarde bedolven, doch mankeerde niets”.

Voor de frontsoldaten was het aan de IJzer een leven met de dood en met de doden. “Op de sector van Ramskapelle kwam ik eens helemaal de laatste van ons peloton toe. Het was erg nat en slijkerig. Nergens vond ik nog een schuilplaats, alles was bezet. Er zat niets anders op dan buiten te overnachten. Ik zag achter de loopgraaf een verhoogje, waarop ik mij dan maar installeerde met heel mijn boeltje. Ik had die nacht geen wacht. ‘s Morgens zag ik dat ik de ganse nacht op een soldatengraf gelegen had, doch ik lag niet in het slijk. Dat graf was daar zeker reeds van bij de eerste slag aan de IJzer. Toen begroef men veel doden ter plaatse, omdat er zovele sneuvelden dat men de lijken niet kon achteruit brengen. Op die graven werd dan eenvoudig een kruis van twee stokken geplant, zonder naam of enig teken. Later werd op al die graven een kruis geplaatst met als opschrift : “Ici repose un Soldat Belge inconnu”.

En dan dat leven in water en slijk! En de ratten!!! Wanneer onze voeten helemaal nat waren en vol slijk zaten, trokken wij over iedere voet een “vaderlanderke”, een van de zakjes die wij met duizenden en duizenden gevuld hebben om loopgraven en versterkingen te maken. Als wij dan zo onder ons deken en onder onze capotjas lagen, werden onze voeten lekker warm. Tegen dat wij wakker werden waren onze voeten en schoenen droog en konden wij terug in het slijk en in het water. Op zekere dag, op de sector Ramskapelle, als wij ‘s morgens van onze wachtposten in onze schuilplaats terugkeerden, legden wij ons zo ingepakt neer om wat te slapen. Wij sliepen rustig toen ik opeens in mijn neus een scherpe pijn gewaar werd. Nog half slapend sloeg ik met alle kracht tegen iets aan. Dan hoorde ik iemand brullen. Het was Vetters. Een rat had dwars door mijn neus gebeten en door de slag die ik haar gaf, vloog ze recht in het gezicht van Vetters die naast mij lag. Mijn neus was ferm geraakt en Vetters had heel wat schrammen in zijn gezicht. Deze rat heeft ons zeker voor doden genomen, want als er iemand sneuvelde werd hij in een schuilplaats naast de rode kruispost gelegd. Het gebeurde vaak als men ‘s avonds of ‘s nachts die gesneuvelde achteruit droeg, dat hij, meestal in het aangezicht, door de ratten aangevreten was”.

ENKELE FRONTBELEVENISSSEN

De eerste frontsector waar Vermeiren verbleef, was die van Diksmuide, het was er zeer gevaarlijk en zijn groep telde er vele doden en gekwetsten. Zijn tweede frontsector was de z.g. ‘Sector Canard’. Dat was de beste van het front. De overstroming van de IJzer hield hier de vijanden ver van mekaar verwijderd en er was nagenoeg geen geweer- of mitrailleurvuur. Enkel de artillerie was er bedrijvig. Zo vielen er eens enkele gewonden toen de aalmoezenier de mis opdroeg en de vijand daar lucht van kreeg en obussen aar de groep afvuurde.

Dan ging het naar de buurt van Ramskapelle. “Daar was het veel gevaarlijker en diende er op de voorposten voor de eerste lijn wacht geklopt te worden. De beschietingen waren er ook veelvuldiger en heviger. Op zekere dag zat ik in de eerste lijn in een schuilplaats, samen met Frans Bogaerts uit de Kapellen te Putte aan de Nederlandse grens. Wij dachten goed en veilig te zitten, toen er een zware beschieting door de zware artillerie op onze eerste lijn werd uitgevoerd. Opeens viel een voltreffer op onze betonnen schuilplaats, zodat het dak midden openscheurde. Bogaerts was juist een liedje aan het zingen waarin voorkwam: “Gaat niet naar Ramskapelle, want daar is ’t niet wel”. Op deze woorden sloeg de obus in. Het zingen was gedaan. Half versmacht van rook en stof vluchtten wij buiten, de loopgraaf in. De schuilplaats was buiten gebruik. Wij waren beiden echter ongedeerd”.

In die periode kwamen er ook al vliegtuigen op verkenning. “Het was toen ook dat er een vliegtuig van ons door het Duits geschut werd neergehaald. De piloot kon zijn toestel nog tot over onze eerste lijn brengen om tussen onze eerste en tweede lijn aan de grond te komen. Hij was ongedeerd. Zijn naam is mij ontgaan, doch het was de zoon van een bakker uit Borgerhout. Ik had hem daar voor 1914 reeds dikwijls gezien wanneer hij te Sint-Job-in-‘t Goor op het vliegveld leerde vliegen en kwam oefenen. Wij noemden hem “den bakker”. Zodra zijn vliegtuig op de grond lag liep de piloot naar de tweede lijn. Of hij blij was bij eigen volk neergekomen te zijn hoeft niet gezegd. Juist toen hij in de tweede lijn was toegekomen begon er een hels bombardement op zijn vliegtuig. Na een kwartier was er om zo te zeggen van geheel het vliegtuig niets meer over”.

Regelmatig moesten er z.g. ‘raids’ uitgevoerd worden. Een twaalftal mannen trokken zo stil mogelijk naar de Duitse lijnen om een of meer krijgsgevangenen te maken en van hen inlichtingen te verkrijgen. “Wij gingen langs de voorposten en zo verder in de richting van de Duitse loopgraven. Gaan was niet het juiste woord, want dit was onmogelijk door de vele lichten die boven de lijnen hingen. Als het een ogenblik donker was konden wij een sprong vooruit maken om dan verder stilaan, met de buik tegen de grond, voort te kruipen.

Zo geraakten wij aan de prikkeldraadversperringen van de Duitsers. Deze werden met grote ijzertangen doorgesneden. Eens de opening gemaakt, trokken wij er op een rij door. Wij vonden niemand in de Duitse voorposten. Wel ratelden de machinegeweerkogels laag over onze hoofden. Er werd ook druk met geweren gevuurd. Wij geraakten alle twaalf geruisloos en behouden aan de Duitse eerste lijn, doch toen wij in de lijn sprongen, sprong een man van een ander peloton vlak op een Duitsers. Die was volledig verrast en werd onmiddellijk met een dolk neergestoken. Hij bleef ter plaatse liggen zonder een kik te laten. Hij kon dus geen alarm meer geven. Wij slopen wat verder de loopgraaf in en konden twee Duitsers overmeesteren en ontwapenen”. Onder een echt spervuur van kanonnen, geweren en machinegeweren vluchten de soldaten met hun gevangenen terug naar de Belgische lijnen. Eén sergeant verloor er een been bij en één soldaat werd minder zwaar gewond.

Tijdens de ijskoude winter van 1916-1918 werd de groep van Jef Vermeiren naar een sector vlak bij de ‘Dodengang’ gezonden. “Het was er zeer gevaarlijk. De sector was in hoefijzervorm gelegen zodat de Duitsers ons goed konden beschieten, zowel langs voren, als in de beide flanken als tot nagenoeg in de rug. Er was daar slechts één voorpost, de “dodenpost”. Alle nachten moest één man op die post de wacht houden met de gewone wapens en daarbij in de linkerhand een handgranaat, werpens gereed, in de rechterhand de dolk, stekensklaar en in de mond een fluitje, om bij onraad hen die achter hem zaten te waarschuwen. Deze voorpost was op de IJzerdijk langs onze kant gelegen. De Duitse voorpost was geen twee meter van de onze gelegen, dus ook op de dijk aan onze zijde. Alle avonden zetten de Duitsers op die plaats met een vlot een man over de IJzer om zijn luisterpost in te nemen. Deze twee posten waren alleen gescheiden door een hoop aarde, waarin aan weerszijde een putje was gegraven. Het minste geluid, hoesten, niezen of kuchen kon de andere goed horen. Wie van de twee zich roerde werd onvermijdelijk door de andere afgemaakt, daar was niets aan te doen. De dodenpost heeft dan ook veel slachtoffers geëist. Het merendeel van de soldaten zijn niet op die post geweest. Ik, als eerste granaatwerper van onze sectie, heb er wel een nacht gezeten, van ‘s avonds rond zes uur tot ‘s morgens rond halfzeven, wanneer de schemering in de lucht kwam. Ik had toen gehoord dat de Duitser weg was, door een licht geplons van het vlot in het IJzerwater. Wat had die nacht lang geduurd. Voortdurend hoorde ik die Duitser hoesten en zijn neus snuiten. Hij had zeker een flinke valling. Het voornaamste was dat hij zich verder koest hield of er zou zeker een van onze twee gesneuveld zijn”.

In de loopgraven, ook in die van de “Dodengang”, waren er op regelmatige afstanden openingen waardoor men naar buiten kon om aan de voorkant herstellingswerken uit te voeren. De Duitsers hadden op die openingen speciale geweren gericht die stevig waren vastgemaakt. Ook wij richten geweren op de openingen in een Duitse loopgraven. Zo’n opening voorbijlopen was uiterst gevaarlijk en heeft veel mensenlevens gekost. “Bij de aflossingen gingen wij naar de voorste lijn door de dodengang voorbij verschillende van deze openingen. Wij kenden iedere opening, zowel bij donkere nacht als overdag en namen ze altijd met een sprong om er rap voorbij te zijn. Toen ik eens weer zo’n opening voorbij moest nam ik een sprong, doch op hetzelfde ogenblik kreeg ik een hevige slag op mijn rechterbil. Ik kon voortgaan. Als ik hem nadien onderzocht stelde ik enkel een grote blauwe vlek vast; in mijn capotjas waren twee kleine gaatjes aan de rechterkant en er waren eveneens twee kleine gaatjes door mijn broekspijp. Ik was dus slechts geraakt door een schampschot”.

In die sector zijn er heel wat hachelijke avonturen beleefd. “Op zekere morgen werden wij, na een ganse nacht wacht in eerste lijn, afgelost. Wij waren die nacht zonder onderbreking door kanonnen en ketels bestookt geweest, zonder nog te spreken van de kogels uit het licht geschut die voortdurend rond onze oren floten. ‘s Morgens mochten wij dan in de schuilplaatsen van de dodengang gaan rusten. Ik deelde samen met Vetters en nog een jonge rekruut, die onlangs van achteruit gekomen was, een schuilplaats. Wij sliepen rustig, alhoewel er nog fel geschoten werd. Opeens was het of al de krachten der hel losgebroken waren. Onze schuilplaats schudde en beefde. Wij kregen een bombardement, zo hevig als er zelden voorkwamen. Uit drie richtingen werden wij met lichte, halfzware en zware artillerie beschoten. Er was geen meter grond of er was een obus gevallen. Op zeker ogenblik werd onze houten schuilplaats bijna opgelicht. Op dat moment kreeg ons groentje een hevige zenuwaanval. Hij werd om zo te zeggen krankzinnig en had daarbij van schrik in zijn broek gedaan. Op zeker ogenblik riep hij maar op zijn moeder en wilde buitenvluchten in het volle kanonvuur, wat onvermijdelijk zijn dood zou geweest zijn. Wij trachtten hem te bedaren en te troosten, maar niets baatte, zodat wij verplicht waren ons op hem te werpen. Zo vechtende konden wij hem op de grond houden liggen tot het gebulder na een paar uur wat afnam. Dan kalmeerde hij. Hij had zijn vuurdoop doorstaan”.

Leven en dood lagen aan het front, maar vooral in de Dodengang vlak bijeen. “Op zekere dag moest de kleine rosse Waal Donnez aan een kleine behoefte voldoen. Het was overdag. Hij vond nergens een conservendoosje. Dan maar eens even over de borstwering zegde hij. Wij wezen hem op het gevaar, maar er was niets aan te doen. Hij ging lachend weg terwijl hij zegde : “Zo’n klein manneke als ik daar schieten ze over. ‘k Ben niet bang en ben zo terug”. Hij was nog maar juist weg als wij een gil hoorden. Een Duitse scherpschutter had hem vlak in de hartstreek met een kogel doorschoten. Hij was op slag dood”.

DE ONTROERENDE KERSTNACHT VAN 1917
“Op kerstnacht moest ik samen met twee andere soldaten onder bevel van sergeant Chil, een jongen uit Niel, op voorpost. Rond vijf uur ‘s avonds kwamen wij op onze post toe. Deze was uitgegraven in de dijk van het kanaal van Ieper. Juist daartegenover, op ongeveer 15 meter afstand, was de Duitse post. Die was aan de overkant van het kanaal eveneens in de dijk ingegraven. Wij waren enkel door het water van elkaar gescheiden.

Het was een zeer koude nacht. Uit een laag wolkendek viel een druilerige regen die op de hard bevroren grond onmiddellijk in ijs veranderde. Het was zelfs met onze benagelde schoenen bijna onmogelijk recht te blijven. Sergeant Chil werd rond negen uur ‘s avonds weggeroepen, daar hij diezelfde nacht nog werd overgeplaatst naar een compagnie van het 7de linieregiment. Hij moest daar het korps der onderofficieren gaan aanvullen, dat door de gevechten van de laatste weken fel was uitgedund. Als oudste soldaat werd het bevel aan mij overgedragen.

Met ons drieën trokken wij om beurten de wacht op. Het was niet volledig donker, de maan wierp door het wolkenveld een heel zacht licht, dat het ons mogelijk maakte tot aan de overzijde de Duitse post te zien, die even boven de kanaaldijk uitstak. Verkleumd zaten wij daar met ons drieën in ons loopgraafje, waardoor een ijskoude noorderwind joeg. Hij perste het laatste restje warmte uit onze met een laagje ijs bedekte lichamen weg. Het was een afgrijselijke nacht. Stil zittend was het niet om uit te houden. Plots riep ik, tegen elk militair verbod in, naar de overzijde: “Hé daar”. Van de overkant kwam de vraag: “Was ist los”. Ik antwoordde: “Weihnachten, nicht schiessen”. Een Duitser riep terug : “Nein, nicht schiessen”. Opnieuw probeerde ik : “Kalt, laat ons maar spatzieren”. Er kwam een instemmend : “Ja, gut !” van de overzijde.

Een beetje aarzelend en met kloppend hart stond ik als eerste recht, wierp mijn geweer met de riem over mijn schouder en begon zo goed en zo kwaad als het ging over de ijslaag op de kanaaloever over en weer te wandelen. Aan de Duitse kant werd hetzelfde gedaan. Heel de nacht door, tot het licht werd, wandelde, of beter schoof, er langs elke oever een soldaat over de vaartdijk, doch nooit meer dan één, zodat noch wij noch de Duitsers wisten hoeveel man er op de posten zaten. Dit hielden wij toch nog angstvallig voor elkaar verborgen.

Tegen middernacht werd het op heel het front langs beide zijden akelig stil. Er weerklonk geen enkel schot meer. Dat was wonderlijk ongewoon en beangstigend. Was het nog volop oorlog of wat gebeurde er? Lagen er nog wel ergens op het front vijandelijke legers met moordwapens tegenover elkaar? Waarom bleef het zo niet voor altijd en gingen alle soldaten niet naar huis? Waarom bleef hier op elke oever een soldaat over en weer wandelen met geladen geweer over de schouder? Bij deze kleine wapenstilstand van één nacht, waartoe wij waren overeengekomen door enkele in een vreemde taal geradbraakte woorden, bleef het wantrouwen toch nog bestaan en was ieder op zijn hoede en gereed om bij het minste onraad of bij elke verdachte beweging het wapen te grijpen en naar zijn overbuur af te vuren. Waarom vieren er nu mensen, ook hier niet ver vandaan maar die bij hun geboorte de goede kaart hebben getrokken, feest, overdadig feest? Onbewust van de miserie van de verkleumde frontsoldaten op wacht. Dat alles flitste mij door het hoofd, terwijl ik weer eens op mijn beurt over de gladde kanaaldijk schoof.

Toen werd het middernacht. Het kerstkindje, het vredeskindje werd weer eens geboren. Het was kerstmis, het was vrede. Opeens werd de stilte verbroken door het gezang van kerstliederen, begeleid door muziekinstrumenten, accordeons, ja zelfs door pianomuziek. Het kwam van de Duitse lijnen. Wij wisten wel dat de Duitse loopgraven en schuilplaatsen beter verzorgd waren dan de onze en dat men er iets meer comfortabel kon leven, maar dat men er zelfs muziekinstrumenten had ging onze verbeelding te boven. Wij konden enkel maar wat kerstliederen neuriën: “Stille nacht, heilige nacht”, het was ontroerend om nooit te vergeten. Ik heb geen woorden om dit alles te beschrijven. Kerstnacht 1917, geen van ons drieën van de voorpost hebben die nacht een schot gelost, wij hadden samen besloten deze kerstnacht door geen enkele oorlogsdaad te ontsieren. Ook de Duitsers die slechts enkele meters van ons af lagen hebben deze kleine wapenstilstand trouw geëerbiedigd. Door dit alles is het voor mij en ook zeker voor vele frontsoldaten een onvergetelijke gelukkige nacht van innige overweging geweest.

Naarmate de nacht vorderde stierf het gezang weg om tegen de morgen plaats te maken voor het gebulder van kanonnen, het fluiten van kogels en het openbarsten van obussen en granaten”.

* * *
Wat een stille vreugde hebben die Belgische en Duitse soldaten beleefd in die innige kerstnacht. Wat een simpel geluk! Wij kunnen ons dat niet voorstellen, een handvol soldaten die in een triestige winternacht even een wapenstilstand hebben uitgeroepen en zonder levensgevaar op een glibberige dijk konden over en weer wandelen. In het vage licht van een versluierde maan zagen zij mekaar, twee mensen die vijanden moesten zijn, maar die hetzelfde ellendig loopgravenbestaan doorstonden. Zij waren een gans ander leven gewoon; het feit dat er geen kanonvuur of geweerschoten weerklonken beangstigde hen. Het leven van die jonge mensen bestond er in te doden om zelf niet gedood te worden. Zij zagen dagelijks van hun kameraden gedood of voor het leven verminkt worden. Voor onze jonge mensen van vandaag is dat, gelukkig, een onwezenlijke en onbegrijpelijke situatie.

“DEN LAATSTEN OFFENSIEF”
Op 27 september 1918 vertrok de compagnie van Jef Vermeiren, samen met nog vele anderen, zwaar bewapend naar het front. De soldaten die nagenoeg nooit alcohol kregen mochten nu een borrel drinken. Wat dat goedje mocht bevat hebben wist niemand, maar diegenen die er van gedronken hadden, werden als het ware overmatig woest. Vermeiren, zoals sommige anderen, waren van de drank afgebleven en stonden verbaasd te kijken hoe hun kameraden het trammeke, waarmee ze vervoerd werden als het ware kort en klein sloegen.

De groep reed van Adinkerke tot in de buurt van Ieper, naar de sector van Sint-Jan het Wieltje. Rond middernacht werden ze tussen de eerste en de tweede lijn op een Engels kerkhof gebracht. Het was een grote vlakte met als enige beschutting de grafheuveltjes. De inzet van de laatste offensief kon beginnen. Het was wachten tot 2u.30 en dan begonnen de Geallieerde kanonnen te bulderen van aan het Noordzeestrand tot aan de Vogezen. Dat bombardement duurde tot 5u.30 Ook de Duitsers lieten zich niet onbetuigd en schoten gewonnen verloren terug. Luisteren wij naar het relaas van Jef. “Door de vlammen van de losbarstingen en door de ontploffingen der obussen, was het zo licht als het overdag maar licht kan zijn. Geen vijf minuten was dit hels bombardement aan de gang of op het kerkhof waar wij lagen sloegen de eerste Duitse obussen en granaten in. Er werden dan al een paar soldaten en een luitenant van onze compagnie op slag gedood en er waren reeds verscheidene gewonden. Van alle kanten hoorde men reeds gekerm en hulpgeroep. Wat duurde die drie uren beschieting lang! Dicht bij mij sloeg een grote obus in. De stukken van rottende lijken vlogen in het rond, doch dat belette niet dat ik onmiddellijk in de obusput sprong. De beschutting en de drang naar zelfbehoud was sterker dan de afschuw voor de rottende mensenresten en de stank. Deze drie uren die wij onder dit bombardement lagen zal ik, en allen die het hebben meegemaakt, nooit kunnen vergeten, het was onbeschrijfelijk, niemand is in staat deze afgrijselijke uren met woorden weer te geven”.

Om klokslag 5u.30 gingen de fluitjes van de officieren. De soldaten stormden met sprongen vooruit, lieten zich plots vallen om het geschut te ontwijken dat de Duitsers hardnekkig volhielden. De soldaten bereikten dan de eerste lijnen van de vijand en maakten veel krijgsgevangenen. Er lagen echter ook veel dode en gewonde Duitsers. De kanonnen hadden een ware slachting onder de vijand aangericht. Nadat de eerste lijn was ingenomen werden ook de tweede en de derde veroverd. Dat gebeurde echter ten koste van veel doden en gewonden, zowel voor de Belgen als voor de Duitsers. Er zijn toen afgrijselijke dingen gebeurd, een paar voorbeelden, recht uit de pen van Jef Vermeiren. “Wanneer ik er in sprong, kwam ik met mijn voeten juist in de buik van een Belgische soldaat terecht. Hij kon slechts enkele seconden voor mij in de Duitse lijn gesprongen zijn en hij lag al dood en gans verminkt in de loopgraaf. De klederen waren hem bijna van het lijf getrokken, zijn buik lag helemaal open en zijn ingewanden lagen rond zijn lichaam verspreid. Het was nog slechts een hoopje vlees, dat nog warm was en waaruit een weeïge damp als een lichte mist opsteeg. In de deur van een zware betonnen schuilplaats zag ik een Belgische en een Duitse soldaat beiden dood liggen. De Belg had met zijn dolk de Duitser doodgestoken en de Duitser had eveneens met zijn dolk de Belg gedood. Beide lagen naast elkaar op de grond, met een dolk in de hartstreek en iedere dode had met de hand zijn eigen dolk nog vast”

.De aanval had uren geduurd. De derde lijn was rond de middag veroverd en tegen de avond waren de Belgen in het open veld verder gerukt richting Zonnebeke. De Duitse weerstand was een beetje verminderd. “In de avond groeven wij ons in, ieder soldaat maakte met zijn schup een putje, waar hij zich in neerzette, zo waakten wij die nacht, doch ik, zowel als de meeste anderen vielen toch in slaap”.

De volgende morgen ging de opmars voort, terwijl de Duitsers zich weer sterk verdedigden. Vermeiren verzeilde op een bepaald moment tussen de Schotten, die rechts naast hen mee oprukten. “Tijdens het uur dat ik tussen de Schotten vertoefde zag ik er meerdere sneuvelen, de dode Schotten lagen in hun rokjes op de grond. Het viel mij op dat zij zich veel te veel blootgaven, wij Belgen namen meer voorzorgen en kozen veel beter onze dekking”.

De opmars ging immer voort, de Duitsers weerden zich nog steeds hevig. “De avond van deze vierde dag kon achter de hoogte van Moorslede voor de eerste maal de naamafroeping van onze compagnie gehouden worden. Vier dagen voordien waren wij met bijna 170 man, soldaten, onderofficieren en officieren, de strijd in getrokken. Nu waren wij nog met een armzalig hoopje van zes en dertig man: vier en dertig soldaten en onderofficieren, met adjudant De Lobbel van Moeskroen die toen luitenant benoemd werd en eerste luitenant Sterkens van Merksem. Arm troepje soldaten, wat stonden wij daar bedrukt naar elkaar te kijken. Wij vertelden dan elkaar wat er allemaal gebeurd was. De gedode mannen werden geteld, de ene had deze zien sneuvelen, de andere had er weer een andere zien doodliggen. Zo kwamen wij tot meer dan veertig, het juiste aantal kenden wij niet, doch wij wisten met zekerheid dat er meer dan veertig mannen van onze compagnie op slag gedood waren. Daarbij waren er dan nog bij de honderd die op zijn minst gewond waren. Hoeveel er aan hun verwondingen nog zouden sterven zouden wij nooit te weten komen”.

Na en tiental dagen strijd, werd de compagnie vervangen en teruggetrokken voor een korte rustpauze. Ze waren toen nog met een vijf en twintig gezonde manschappen. Op 16 oktober vertrokken zij opnieuw naar het front, naar Steene bij Oostende. “Daar werden wij echter in lijn gebracht, op een tweetal meters van elkaar. Zo trokken wij de velden in, juist als jagers op groot wild, met het geweer in aanslag en de bajonet op het geweer”.

Zo ging de jacht op de vijand verder. Soms kwamen ze in een dorp terecht en werden met vreugde als bevrijders ontvangen. “Wanneer wij in een dorp toekwamen wisten de meeste burgers eerst niet hoe ze zich moesten gedragen. Dat kwam door onze uniformen. Wanneer in 1914 ons Belgisch leger aftrok waren al onze soldaten nog in een blauw uniform gekleed. Nu waren wij allen in kaki, zodat deze mensen meenden dat wij Engelsen waren. Wanneer wij hen in het Vlaams aanspraken was het ijs vlug gebroken en werd het op ons een ware aanval van omhelzingen”.

Het oprukken van de troepen werd echter regelmatig tot staan gebracht door Duitse aanvallen. Eens die afgeslagen ging het dan weer verder vooruit. Ze maakten krijgsgevangenen en stuurden die achteruit, want, “wij bekommerden ons alleen maar om wat er voor ons gebeurde. Achter ons kwamen er immers andere soldaten die alles opruimden en de gevangenen bijeenbrachten. Onze taak bestond er alleen in het land te heroveren, te vechten en desnoods te sneuvelen. Wat kan men anders verwachten van keurtroepen, de elite van het leger, bestaande uit een korps van mannen van 18 tot 27 jaar, waarvan de meeste gehard waren door vier jaar lang loopgravenoorlog en die daarenboven tijdens de rustperioden nog fel gedrild waren op een bewegingsoorlog, zowel op aanval als verdediging”.

Rond einde oktober 1918 zaten de troepen in de buurt van Zomergem, aan het kanaal van Brugge, voorlopig opnieuw vast, want de Duitsers bestookten hen in alle hevigheid. Er moesten versterkingen komen, de artillerie moest nieuwe stellingen innemen, de veldkeuken was nog niet daar. De soldaten moesten in de verlaten huizen, waarvan de bewoners naar veiliger oorden gevlucht waren, zelf op zoek gaan naar eten.

Na vier dagen gingen de Belgen weer ten aanval. Zij moesten echter het kanaal oversteken. “Wij hadden tevoren van de omliggende woningen meerdere deuren en slagvensters uitgebroken en tot bij de vaart gebracht. Op het ogenblik van de aanval wierpen wij de deuren en “slagvensters” op het water en sprongen vlug van de ene deur of slagvenster op de andere. Dat moest zeer vlug gaan, zo niet zonk men met deur en al in het water. Ik was een der allereerste aan de overkant van de vaart en vond dekking op de vaartdijk tussen het water en de dijk. De anderen volgden in zeer snel tempo. Op ongeveer een kwartier was heel onze compagnie over de vaart. Een paar mannen vielen in het water, doch geen enkele verdronk. De strijd begon opnieuw, maar na ruim een half uur dropen de meeste Duitsers verslagen achteruit. Op het slagveld viel opnieuw veel materiaal en wapens in onze handen. Wij maakten ook meerdere Duitsers gevangen en verscheidene gekwetste en dode Duitsers bleven ter plaatse liggen. Hier konden wij weer vaststellen dat onze kanonnen de Duitsers felle slagen hadden toegebracht. Na de vaartdijk volledig van Duitsers gezuiverd te hebben trokken wij al vechtende verder op richting Mariakerke bij Gent”. Daar werden zij verplicht halt te houden.

DE LAATSTE DAGEN VAN DE STRIJD, DE WAPENSTILSTAND
VOOR HET EERST NA RUIM VIER JAAR WEER THUIS

Eens in Mariakerke aangekomen moesten de troepen halt houden. Daar kregen zij het strengste verbod nog een schot te lossen. Gent diende ingenomen te worden zonder te schieten. Dat bevel kwam van het hoofdkwartier van de Tweede Divisie. Het ergste was dat door een vergissing of door een tekort aan informatie, de soldaten verplicht werden een verdedigingslijn op te bouwen, juist op de plaats waar de Duitsers zaten. Die namen dan ook gretig onze jongens onder vuur. “Een tiental soldaten van onze compagnie werden gewond. Wij waren verplicht ons achter de huizen terug te trekken, want het was onmogelijk een voet vooruit te komen zonder gevaar getroffen te worden. En zeggen dat wij niet mochten schieten. Verschrikkelijk! Intussen beschoten de Duitsers ons en heel het dorp Mariakerke, met kanonnen, geweren en mitrailleurs. Het dorp leed veel schade en meerdere soldaten werden gedood of gewond, ook vielen er heel wat slachtoffers bij de bevolking. Langs onze zijde viel geen enkel schot, zomin van kanonnen als van andere wapens. De Duitsers hadden vrij spel en leden niet het minste gevaar”.

Ondertussen werd het begin november. Geruchten over een nakende wapenstilstand werden steeds meer verspreid. De Duitse beschietingen gingen echter onverminderd voort. De morgen van de 10de november werden nog een sergeant en twee soldaten van de groep van Jef door een obus gedood. Die avond ontsnapte hij nog amper aan de dood. Hij zou die avond met drie de wacht moeten optrekken. “Juist om 8 uur ‘s avonds kwam ik als eerste uit de kelder. De twee anderen zouden een na een komen. Wanneer ik uit de steenhoop van het brughuis kwam leek alles stil. Ik liep op de put van de kanaaldijk toe. Als ik juist midden tussen het huis en de put was, kwam me daar een salvo uit een mitrailleur op mij toe, de kogels vlogen langs alle kanten rondom mij. Nog een paar sprongen en ik lag hals over kop in de put op de drie wachters. Hoe ik toen niet getroffen werd, kan ik nu nog niet begrijpen, doch ik lag werkelijk goed en wel boven op de drie mannen, die begonnen alle drie te sakkeren en te vloeken. Het mitrailleurvuur hield ongeveer vijf minuten aan. Niemand van de drie durfde de put verlaten en de twee anderen durfden al evenmin afkomen. Wie had toen kunnen denken dat dit het laatste mitrailleurvuur zou zijn dat op ons werd afgevuurd. Toen werd het overal beangstigend stil. De anderen losten op hun beurt af en wij bleven waakzaam op onze plaats zitten”.

Diezelfde avond kwamen enkele burgers van uit Gent die verklaarden dat er in de stad geen Duitsers meer waren. De weg naar Gent lag dus open, maar er was een streng verbod om naar de stad te gaan. De soldaten vermoeden dat de generaal aan het hoofd van zijn troepen als eerste triomfantelijk de stad wilde binnentrekken. Dat gunde zij hem niet en met heelder groepen trokken de soldaten midden in de nacht naar Gent. Daar heerste een uitzinnige vreugde Uiteindelijk kwamen ook de onderofficieren en de officieren, “zodat het een echte Gentse strop werd voor het roemrijke intrede van de generaal”.

En dan kwam 11.11.11. “Om elf uur en enkele minuten, in de voormiddag van 11 november 1918, kwam onze compagniebevelhebber luitenant Sterkens aan onze wachtpost. Hij zegde: “Op dit ogenblik is het wapenstilstand, de oorlog is gedaan, ontlaadt onmiddellijk uw wapens en steek er geen enkele kogel meer op. Wie betrapt wordt met een kogel in zijn wapen zal streng gestraft worden”. Wij ontlaadden onze geweren en strooiden de kogels over de straatstenen in het rond. Op een paar meters van ons stonden groepjes burgers die als gieren op de kogels vielen om er toch maar een te kunnen bemachtigen. Ja, zij vochten er voor en trokken ze zelfs uit mekaars handen. Wanneer de luitenant weg was begon het eerst bij ons door te dringen dat de oorlog gedaan was, dat wij er levend waren doorgekomen en, wat het voornaamste was, wij zouden binnenkort onze thuis en familie kunnen weerzien”.

Uiteindelijk kreeg de generaal toch zijn intrede in Gent. “Op 13 november 1918 moesten wij om zes uur ‘s morgens opstaan en ons wassen, eten en klaarmaken voor de grote wapenschouw en defilé te Gent. Onze officieren en onderofficieren liepen rond als leeuwen. Het waren al reeds de brave zachte officieren van twee, drie dagen vroeger niet meer, ze lieten zich gelden. Het gevaar was immers geweken en de soldaten hadden nu geen geladen wapens meer. Ze lieten zien dat ze de baas waren, de vijand was nu toch reeds 40 km. van ons verwijderd. Hier en daar werd soms erg tegen de ene of de andere soldaat uitgevallen. Voor de minste kleinigheid zat het er tegen. Het ware beter geweest dat men ons nieuwe uniformen had gegeven. Het verhakkelde en gescheurde uniform moest evenwel zuiver en in orde zijn, want wij moesten en zouden er mee paraderen”.

En de parade begon. “De generaal reed met zijn staf vooraan te paard Gent binnen. Dan volden de regimenten voetvolk, daarachter de veldartillerie en vervoerdiensten. Zo ging de parade door de voornaamste straten van Gent. Op een zeker punt waren de militaire overheden en burgerlijke afgevaardigden opgesteld om de troepen in ogenschouw te nemen”. Na dat défilé ging het richting Antwerpen. De soldaten hoopten dat ze naar huis zouden kunnen, maar het viel anders uit. Na een paar dagen werden ze het fort van Kallo binnengeloodst en er opgesloten. Geen enkele piot kreeg de gelegenheid om naar Antwerpen te gaan.

Na enkele tijd deed Vermeiren het ergste wat een soldaat kon doen: hij verliet zijn wacht om met een paar vrienden stiekem naar Antwerpen te gaan. Gelukkig werd hem dat later niet door de commandant aangerekend. De drie kameraden staken met de overzetboot de Schelde over en drongen zich daar door een grote menigte die op soldaten wachten. Plots zag Jef in de menigte zijn oudste broer Jan en zijn schoonbroer Karel Aertbeliën. “Ik bleef vlak voor mijn broer en mijn schoonbroer staan, maar geen van beiden herkenden mij. Geen wonder, want als ik in 1914 thuis wegging was ik nog maar een jongen met een weinig dons onder de neus en nu had ik een grote snor en droeg een uniform dat ze nog nooit gezien hadden. Ik moest wel erg veranderd en verouderd zijn, anders hadden zij mij zeker herkend. Toen ik mijn broer en schoonbroer daar voor mij zag, was ik erg ontroerd, maar terwijl ik even stil bleef en hen beiden bekeek, kreeg ik de gelegenheid om mij te herpakken. Ik zegde: “Hewel, Jan en Karel, herkennen gijllie mij niet?” Toen sprongen ze door het volk op mij toe. Geen van beiden kon de eerste ogenblikken iets zeggen. Dan kwam het er uit: “Onze Jef, eindelijk hebben wij U gevonden”. De andere broer, Frans, stond met een vriend, Alfons Joosen, aan de noodbrug nabij het Zuid. Die werden nu opgezocht. “Omdat ik met onze Jan en mijn schoonbroer samen was herkende hij mij onmiddellijk”.

Dank zij de bemiddeling van een neef, die met de commandant ging praten, mocht Vermeiren de volgende dag naar ’s Gravenwezel. Hij reed met de tram tot Schotenhof. Dan was het nog een twintig minuten te voet gaan. “Eindelijk kwam ik thuis. Reeds van ver zag ik mijn moeder en mijn zuster op mij staan wachten. Deze thuiskomst was voor ons allen zeer ontroerend. Moeder nam mij wenend van vreugde in haar armen. Ik was zeer blij thuis te zijn en er allen gezond aan te treffen. Een klein meisje van rond de drie jaar kwam op mij toegelopen en zegde: “Is dat nu nonkel Jef?” Ik vernam dat het een dochtertje van mijn zuster was. Het kind was in 1915 geboren, zodat ik het dus nog nooit gezien had. Dan kwam ik in de woonkamer. Daar zaten nog twee kinderen van bijna een jaar en half. Ik keek naar mijn zuster, die zegde: “Van mij”. “En dat andere kind dan?” “ook van mij”. Mijn zuster had dus drie kinderen, waarvan een tweeling. Onze Jan had ook een kind, een dochtertje van rond de drie jaar. Ik vernam ook nog dat onze Frans in 1916 gehuwd was en binnenkort zijn eerste kindje zou hebben”.

Het huis liep weldra vol volk. Zelfs de 96 jaar oude Rosalie Meersman, de vroegere bakel, kwam leunend op haar stok met eigen ogen het wonder aanschouwen van de soldaat die de oorlog had overleefd.

Bij dat alles voelde Jef aan dat de tijd niet had stil gestaan, dat de mensen hier hadden voortgeleefd en dat hij daar had buiten gestaan. Hij voelde dat hij vanaf nu aan de toekomst moest denken. “Nu voelde ik ineens de verantwoordelijkheid voor gans mijn verder leven, waar niemand mij had op voorbereid. Men had ons slechts geleerd ons leven te behouden, niet het te beleven. Ik was dolgelukkig dat thuis alles goed was en dat allen gezond en welvarend waren. Ik had mijn moeder teruggezien, waar ik toch zo lang had naar verlangd. Nu zou ik maar teruggaan naar mijn vrienden die mij toch nog het best begrepen, die dezelfde belevenissen als ik hadden doorgemaakt en die nu ook, zoals ikzelf, de overgang naar een nieuwe toekomst zouden moeten doorworstelen. Onder soortgenoten voelt men zich nog steeds het veiligste. Wij hadden de oorlog gewonnen, dat vonden wij gewoon, maar dat op die oorlog een vrede volgde, daaraan zouden wij ons nog moeten aanpassen”.
Who dares wines.
Avatar gebruiker
Typhoon
Adjudant-chef
Adjudant-chef
 
Berichten: 115
Geregistreerd: 31 mei 2008, 19:44

Keer terug naar Militairen.

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 1 gast

cron